Het Tillenbeest

Wanneer ze spreekt over de Zuid-Spaanse kat Tilly, durft Rascha Peper schaamteloos sentimenteel zijn. Tilly is een schurftig moedertje met twee rijen zwaaiende spenen.

Wat kan een mens schaamteloos sentimenteel zijn! Honden lopen honderden kilometers naar huis, olifanten herkennen iemand na dertig jaar, kleuters spreken rake teksten tegen bejaarden, weduwnaars leggen roosjes op het graf… en de tranen springen je in de ogen, er trekt een rilling langs je kuiten en een wee, al dan niet vals, gevoel nestelt zich in je borst. Hoe clichématiger hoe liever, vooral op film of tv, maar in het echt soms ook. Goed, laat ik het gewoon vertellen.

Zeven jaar geleden kwam er bij het Zuid-Spaanse huis waar ik af en toe vertoef een kat aanlopen. Een lelijke, spichtige rood-witte met schurftige oren, een stoffige rug waarop iedere wervel zich aftekende, en ook nog eens zogend. Dat laatste sprong direct in het oog, want onderaan het graatmagere lijf zwaaiden bij iedere stap twee rijen spenen mee. Toen ze in de gaten had dat van mij weinig gevaar te duchten viel, vrat ze een bak koude kip met room leeg. Ja, moet je zo’n moedertje dan je erf afjagen? Om kort te gaan: in de weken daarop kwam ze drie maal per dag spek, vis, melk en brokjes halen.

Vanwege die slingerende memmen noemde ik haar Tilly, het tillenbeest van Jan Wolkers indachtig, dat, als ik het goed heb, zijn naam ontleent aan een beeldje van een sfinx met weelderig gemoed. Na het eten verdween ze over een muur aan de overkant, waar het nest wel zou liggen. Omdat ik me nu eenmaal als ’s voedsters voedster opgeworpen had, kocht ik een partij kattenvoer en regelde met de buren dat zij dat na ons vertrek zouden geven.

Dat deden ze gewetensvol. Telefonisch contact leerde later dat Tilly intussen haar kinderen over de muur versleept en bij ons in de tuin gedropt had. Een doortastende straatgenote verdeelde het nest over de buurt (niet zeuren: jij neemt deze!) en liet Tilly steriliseren – in een Spaans dorp notabene! Ze werd herdoopt tot Molly en dat bleek, toen ik haar een jaar later in weldoorvoede staat terugzag, een veel betere naam.

Maar ik kom niet vaak in Spanje, en áls ik er ben, zie ik Molly niet altijd, dus we verloren elkaar uit het oog. Tot voor kort.

Ik sta op het hoogste terrasje van het Spaanse huis en zie haar een paar huizen verder stil – sfinxachtig – op een muurtje in de zon zitten.

„Tilly!” roep ik.

Ze veert omhoog, haar kop met alerte puntoren mijn kant op. Ze springt van het muurtje en duikt even later op een muur dichterbij weer op. Die trippelt ze op een drafje af en een paar seconden later staat ze op het terrasje mekkerend en met opgeheven staart langs mijn benen te strijken en aaien te incasseren.

Ja, hoor, de olifant weet het nog, de hond is naar huis gelopen, de bejaarde is ontroerd. En die ontroering geldt niet zozeer de aanhalige strijkages en de mauwtjes, maar vooral dat opveren van het muurtje, die gespitste oortjes en dat haastige drafje.