Column

Gemoedelijk

De zon scheen al vroeg alsof hij in Nederland nooit iets anders deed, en toen ik ook nog prins Willem-Alexander in Rhenen een wedstrijdje wc-pottengooien (met een oranje pot!) zag winnen, was ik niet meer te houden: de oranje paden op en de oranje lanen in.

Had ik misschien nog ergens iets wat op oranje kleding leek? Pijnlijke omissie. Met moeite vond ik een overhemd met een bruine streep die je met veel goede wil half oranje kon noemen. Pas toen mocht ik van mezelf gaan. Waarheen? Een rondje om de Westerkerk leek me het maximaal haalbare.

Wat je op een normale dag in een kwartiertje loopt, daar doe je op Koninginnedag in de Jordaan en haar omgeving al gauw een paar uur over. Dat was ook gisteren zo, al waren er minder mensen op de been dan voorheen. 10 procent minder, hoorde ik later. Dat kan kloppen, hoewel er in de Jordaan hier en daar nog steeds flessenhalzen ontstonden waar je nauwelijks meer voor- of achteruit kon.

Maar de sfeer was wél anders dan vroeger. Relaxter, gemoedelijker. Ik kan me vooral van de Rozengracht agressieve taferelen herinneren, halve en hele vechtpartijen tussen jongeren die opgefokt waren door drank, drugs en house.

Daar was nu nauwelijks meer sprake van. Het restrictieve alcoholbeleid van burgemeester Van der Laan werkte: je mocht maar één drankje in je bezit hebben en de winkels mochten per individu ook niet meer verkopen. Er zijn altijd mensen die zulke beperkingen ontduiken, maar de meerderheid doet al die moeite niet en blijft daardoor redelijk nuchter.

Des te beter. Openbare dronkenschap heeft iets ontluisterends, werpt een smet op de omgeving. Je ziet de onttakelde mens. Wat er over blijft als hij zichzelf heeft afgedankt.

Op de kade van de Leliegracht zat zo’n (jonge) man. Hij leunde voorover naar het water, vastgehouden door drie vrienden. Hij wilde kotsen, maar had er de kracht niet meer voor. Ze trokken zijn bovenlichaam overeind om het dan weer naar voren te laten zakken. Hij leek al niet meer te weten wat er met hem gebeurde. Het was twee uur in de middag.

Nog een paar van zulke taferelen en ik ga naar huis, dacht ik, maar het bleek niet nodig. Op en rond de grachten heerste veel onbekommerde, carnavaleske vrolijkheid. Er voeren meer boten dan ooit op Koninginnedag: een gay parade waarvoor je niet gay hoefde te zijn.

Voor feestvieren heb je ook talent nodig: het vermogen om jezelf niet belachelijk te vinden. Nogal wat Nederlanders kunnen het – en waarom zouden ze daarvoor veroordeeld moeten worden door de mensen die het niet kunnen? Ieder zijn talent.

Daarom stond ik op de Keizersgracht bewonderend de man te fotograferen die op miraculeuze wijze van een brug op een hoge paal in het water sprong. Hoe hij zich daar in evenwicht hield, zal ik nooit kunnen begrijpen. Op de top van de paal was alleen plaats voor zijn voeten. Zo bleef hij minutenlang dansen terwijl een grote boot vol feestvierders langs hem heenvoer. Van veraf gezien leek hij deel van de mensenmassa op het dek, maar hij stond ernaast, of beter: erboven, op zijn hoge paal. Toen de boot voorbij was, hees hij zichzelf in een flits weer terug op de brug – en verdween in de massa.

Hij verdient deze vermelding, net als dat jongetje even verderop dat roerloos onder een tijgervel lag te slapen met een centenbakje naast zich. Ik begreep pas wat hij daar deed toen ik het bordje naast het bakje las: „Slapend rijk.”