Ontsnapt uit Kamp-14

Shin Dong-hyuk (30) ontsnapte uit een Noord-Koreaans strafkamp. Hij werd er gemarteld en at er ratten en gras. Zijn verhaal is opgetekend door een Amerikaanse journalist. „Ik denk niet dat ik ooit een normaal leven zal kunnen leiden.”

Op het eerste gezicht wijst niets erop dat Shin Dong-hyuk (30) het grootste deel van zijn leven in een van de meest helse oorden op aarde heeft doorgebracht. Maar wie de rustige jongeman in het Amsterdamse hotel met zijn nette stropdas, zijn zwarte jasje en zijn bril wat nauwkeuriger bekijkt, ziet dat de top van zijn rechtermiddelvinger ontbreekt. Afgehakt. Als straf toen hij een naaimachine kapot liet vallen in het Noord-Koreaanse strafkamp waar hij de eerste 23 jaar van zijn leven doorbracht. Hij heeft nogal gebogen armen, een gevolg van de zware arbeid die hij al als kind moest verrichten.

Zijn lichaam is bezaaid met littekens, onder meer van zware martelingen waaraan hij als dertienjarige werd onderworpen en van brandwonden die hij in 2005 opliep bij zijn ontsnapping uit Kamp-14. En dat laat nog de geestelijke littekens buiten beschouwing. „De herinneringen aan het kampleven zullen me voor altijd blijven achtervolgen”, zegt Shin in het Koreaans, dat door een Zuid-Koreaanse studente uit Amsterdam wordt vertaald. „Ik denk niet dat ik ooit een normaal leven zal kunnen leiden.”

Noord-Korea, een van de laatste communistische bolwerken in de wereld, werkt in het Westen vaak op de lachspieren. De absurde propagandaverhalen, waarin de Kim-dynastie wordt opgehemeld, en de onbedwingbare neiging tot kolossale militaire parades maken een potsierlijke indruk. Berichten van donderdag, dat westerse deskundigen tot de conclusie zijn gekomen dat de raketten die twee weken geleden bij de viering van de honderdste verjaardag van de stichter van de natie, Kim Il-sung, werden getoond helemaal niet echt waren, passen in dat beeld.

Maar het Noord-Koreaanse regime heeft ook een nog veel kwaadaardiger kant, waarvoor doorgaans weinig aandacht bestaat. Al tientallen jaren worden tienduizenden, volgens schattingen van Amnesty International en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zelfs 150.000 tot 200.000 mensen, in zes kampen gevangen gehouden onder de meest mensonterende omstandigheden. Het zijn kampen die de Russische Goelag in veel opzichten doen verbleken. Velen zitten er zelfs van generatie op generatie. Kim Il-sung, de ‘eeuwige president’, decreteerde in 1972: „Van klassenvijanden, wie ze ook zijn, moet het zaad drie generaties worden vernietigd.”

Zo belandden ook de ouders van Shin in Kamp-14, dat de reputatie heeft het zwaarste van allemaal te zijn wegens zijn barbaarse werkomstandigheden, de alertheid van zijn bewakers en de meedogenloze opstelling tegenover de gedetineerden. De zonde van zijn vader was dat hij de broer was van twee mannen, die tijdens de Koreaanse oorlog in de jaren vijftig de wijk hadden genomen naar Zuid-Korea. Shins zonde was dat hij de zoon was van zijn vader. Wat Shins moeder op haar kerfstok had, is hij nooit te weten gekomen.

Shin Dong-hyuk is een nieuwe naam, die hij heeft aangenomen na zijn geslaagde ontsnapping uit het kamp. Hij is voor zover bekend een van twee gevangenen die dat is gelukt. De ander is een voormalig militair die zes jaar in kampen doorbracht en wist te ontkomen door zich onder een kolentrein te verstoppen.

Shin reist deze maanden met de Amerikaanse journalist Blaine Harden, die Shins levensverhaal beschreef in het boek Vlucht uit Kamp 14, door de wereld om aandacht te vragen voor het lot van de gevangenen in de Noord-Koreaanse Goelag. Deze week zijn ze in Nederland om de Nederlandse vertaling te promoten.

Trouwen

Dat Shins vader en moeder samenkwamen en trouwden was niet hun eigen keuze, maar een beslissing van het kamppersoneel. Omdat beiden goed hadden gewerkt in het kamp, mochten ze bij wijze van beloning met elkaar trouwen. Het kamppersoneel wees altijd aan wie met wie mocht trouwen. Vervolgens mocht het ‘echtpaar’ elkaar af en toe zien en bij elkaar slapen. Wie zonder toestemming seks had riskeerde te worden doodgeschoten. Ook vrouwen die door personeel uit het kamp waren zwanger gemaakt, al dan niet door verkrachting, werden gedood.

Uit de verbintenis van Shins ouders werden twee jongens geboren. Een acht jaar oudere broer en Shin. Van een normaal gezinsleven was geen sprake. „Mijn vader zag ik bijna nooit”, vertelt Shin. „Toen ik klein was, woonde ik bij mijn moeder maar die moest altijd werken. Na mijn twaalfde zat ik niet meer bij haar.”

Liefde was een schaars goed. Net als vriendschap. „Je kon gewoon niemand vertrouwen”, vertelt Shin. „We moesten altijd alles over andere gevangenen doorbrieven aan de bewakers. Je zat constant in angst en je had de hele tijd honger en dacht vooral over manieren om die te stillen. Alles draaide om voedsel.”

Zo weinig was Shin aan zijn moeder en zijn broer gehecht dat hij hen zonder aarzeling verklikte aan een bewaker, toen hij toevallig opving dat beiden een vluchtpoging aan het voorbereiden waren. Daarop stond de doodstraf. De toen dertienjarige Shin had als beloning meer eten gevraagd, maar dat kreeg hij niet.

In plaats daarvan werd hij zelf in een cel gegooid op verdenking van medeplichtigheid aan de vluchtplannen. Zijn ondervragers hingen hem op een gegeven moment met touwen en kettingen aan handen en voeten op. Ze zetten een ton met brandende houtskool onder zijn naakte rug en priemden een mestvork in zijn buik zodat hij niet weg kon kronkelen van het vuur. Zo werd hij geroosterd tot het naar verschroeid mensenvlees stonk en Shin het bewustzijn verloor.

Wekenlang was hij meer dood dan levend en slechts dankzij een oudere medegevangene, die zijn etterende wonden ontsmette met zoute koolsoep overleefde hij. Toen hij weer wat was hersteld en naar het kampschooltje (met louter andere kinderen die in Kamp-14 waren geboren) terugkeerde, volgde er een nieuwe dramatische gebeurtenis.

Samen met zijn vader, die na martelingen alleen nog maar kon strompelen, werd hij meegevoerd naar de plaats waar twee tot drie keer per jaar executies van gevangenen plaatshadden die zich in de ogen van de bewakers hadden misdragen. Eerst dacht hij dat ook zij zouden worden gedood maar tot zijn opluchting bleek het om zijn moeder en zijn broer te gaan. Zijn vader huilde zacht. Zijn moeder zocht met haar ogen nog één keer Shin maar die wendde zijn blik af. Vervolgens werd zijn moeder ten overstaan van andere gevangenen die zulke terechtstellingen altijd moesten bijwonen, opgehangen. Zijn broer werd doodgeschoten.

Shin voelde zich op dat ogenblik helemaal niet schuldig, vertelt hij. „Executies hoorden gewoon bij het leven in het kamp. Ik vond het destijds een terechte straf, want mijn moeder en mijn broer hadden zich immers niet aan de regels van het kamp gehouden en dan volgde er altijd straf. Ik had ook al veel andere executies bijgewoond. Die deden me niet meer zoveel. Mijn voornaamste emotie was steeds: ik ben blij dat ik zelf niet word doodgeschoten.” De wroeging en een diep schuldgevoel kwamen later, nadat hij uit het kamp was ontsnapt.

Graankorrels

Al heel jong was Shin met de perverse discipline van het kamp geconfronteerd. Toen hij zes was, besloot een onderwijzer te controleren of de altijd hongerige kinderen in zijn klas misschien voedsel hadden gestolen. Niemand had wat behalve een meisje dat vijf graankorrels in haar zak had verstopt. Daarop mepte de man haar vele malen zo hard met een stok op het hoofd dat ze dezelfde avond nog aan haar verwondingen overleed.

Voedsel was dus een permanent probleem voor alle gevangenen. De dunne koolsoep, die steeds maar weer werd geserveerd, was bij lange na niet voldoende. Wie kon, stal hier en daar extra fruit of groente op het uitgebreide kampterrein, op het gevaar af van stokslagen en dagenlange uitsluiting van alle voedsel. Ook ratten, kikkers, slangen en insecten werden gegeten. De ratten werden gevild, van hun ingewanden ontdaan en geroosterd. Bij gebrek aan beter aten Shin en de andere gevangenen soms gras. „Ik dacht wel de hele dag aan eten maar zelfs als ik wat had, genoot ik er nooit van”, vertelt Shin.

Shin vertelt zijn verhaal kalm en zonder veel zichtbare emoties. Af en toe glimlacht hij even. Maar hij bekent dat hij nog altijd moeite heeft om te lachen of te huilen. Zulke emoties waren hem vreemd. Ook vindt hij de omgang met andere mensen vaak nog lastig. „Al die jaren in het kamp was ik volkomen egoïstisch. Alles ging alleen maar om mijn eigen overleven”, vertelt hij. „Ik ben nog steeds bezig me te ontwikkelen van iemand met veel dierlijke trekken tot een normaal mens.”

Lange tijd kwam het niet bij Shin op te vluchten. „Ik droomde niet van een beter leven, omdat ik geen idee had hoe het leven buiten het kamp was”, zegt hij, terwijl zijn gehavende rechterhand met de mobiele telefoon op zijn schoot speelt. Maar dat veranderde toen hij kwam te werken in de textielfabriek, waar hij de kapotte naaimachines van de vrouwen die daar werkten voor reparaties moest wegslepen. Daar ontmoette hij een man van halverwege de veertig, die juist lang in de buitenwereld had vertoefd en zelfs in het buitenland had gezeten. Toen hij na een verblijf in China wilde terugkeren naar Noord-Korea met zijn vrouw, was hij gearresteerd op verdenking van spionage voor Zuid-Korea.

De verhalen van deze Park Yong Chul interesseerden Shin aanvankelijk maar matig, maar hij raakte in vuur en vlam toen Park hem vertelde over geroosterd vlees met rijst en andere lekkernijen. Toen enkele gevangenen waren overleden door een zeer giftig ontluizingsmiddel besloten beiden te vluchten zo gauw zich een mogelijkheid aandiende.

De eerste grote hindernis vormde het hek om het enorme kamp, dat onder hoogspanning stond. Toen ze opdracht kregen dicht bij het hek hout te verzamelen, besloten ze in een onbewaakt ogenblik hun geluk te beproeven. Park was de eerste die het hek bereikte. Meteen na een geringe aanraking viel hij dood neer. Doordat de draad onder zijn gewicht iets naar beneden zakte, kon Shin net tussen twee draden door kruipen. Met zijn onderbenen raakte hij nog net de draden maar – mogelijk door zijn kleren – niet voldoende om te sterven. Wel liep hij ernstige schroeiwonden op aan zijn benen.

Met meer geluk dan wijsheid en vooral vertrouwend op zijn overlevingsinstinct en hier en daar stelend, begaf hij zich in noordelijke richting. Hij sloot zich aan bij enkele zwervers, gaf niets prijs over zijn verleden in het kamp en bereikte de grens met China. Met de opbrengst van een gestolen zak rijst kocht hij snoep en sigaretten waarmee hij de Noord-Koreaanse grenswachten omkocht. Over de bevroren Tumen-rivier bereikte hij ten slotte China. „Ik herinner me nog de schok om mensen te zien, die konden doen wat ze zelf wilden, eten wat ze wilden en naar plekken gaan die ze zelf uitkozen en die soms zelfs vrolijk zongen.”

Seoul

Na de nodige omzwervingen belandde hij in Zuid-Korea, waar Noord-Koreaanse vluchtelingen op veel steun en opvang kunnen rekenen. Zijn verhaal baarde opzien en hij werd uitgenodigd naar Amerika te komen, waar hij zich enkele jaren aansloot bij een Noord-Koreaanse organisatie die zich inzet voor de mensenrechten. Maar erg goed kon Shin, die ook nu nog weinig Engels spreekt, er niet aarden. Inmiddels woont hij weer in de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul. Daar heeft hij een eigen organisatie opgezet die probeert de rest van de wereld te doordringen van het lot van de Noord-Koreaanse gevangenen.

Shin blijft worstelen met zijn kampverleden, mogelijk ook omdat hij andere afleidingen mist. Zaken die anderen soms troost bieden, zoals muziek, interesseren hem niet. Een relatie heeft hij evenmin. Een korte affaire met een Koreaanse in Californië liep stuk. Nog steeds wordt Shin in het bijzonder gekweld door onzekerheid over het lot van zijn vader. Het is goed mogelijk dat die gedood is na zijn ontsnapping. En het is hoe dan ook onwaarschijnlijk dat iemand van zijn leeftijd – ver boven de vijftig – nog in leven is in Kamp-14.

„Ik heb besloten de rest van mijn leven te wijden aan hulp voor de mensen die nog gevangen zitten”, zegt Shin. Met een flauwe glimlach voegt hij er aan toe: „Als ik één wens zou mogen doen, is het dat de strafkampen verdwijnen.”

Vlucht uit Kamp 14, Blaine Harden. Uitgeverij Balans; € 18,95