Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Cultuur

‘Het kan me niet burgerlijk genoeg zijn’

schreef een boek over moederschap. Op haar balansdag eet ze een halve clubsandwich en legt ze uit waarom haar columns soms agressie opwekken.

Aaf Brandt Corstius kreeg binnen een jaar en drie weken twee kinderen en schrijft over „hoe het echt is”. Rechts de knuffels van haar kinderen.
Aaf Brandt Corstius kreeg binnen een jaar en drie weken twee kinderen en schrijft over „hoe het echt is”. Rechts de knuffels van haar kinderen.

De moeder van Aaf Brandt Corstius, columnist en schrijfster, was 34 toen ze overleed. Huidkanker. Drie kinderen, van 6 (Aaf), 5 (Merel) en 3 (Jelle).

Aaf Brandt Corstius: „Als kind vond ik het zielig voor mijn vader dat ze dood was. Als twintiger vond ik het zielig voor mij. En nu vind ik het zielig voor haar.”

Aaf Brandt Corstius (37) was 35 toen ze moeder werd. Binnen een jaar en drie weken kreeg ze een zoon (Benjamin, nu 2 jaar) en een dochter (Rifka, 1). De weg naar het moederschap is terug te lezen in de columns die ze in de jaren negentig begon te schrijven. Eerst voor het Amsterdamse universiteitsblad Folia, waar de lezer haar relatie met ‘meneertje knipperlicht’ Arnon Grunberg op de voet kon volgen. Daarna schrijft ze in NRC Next over haar eerste, echte eigen huis in Amsterdam en haar nieuwe, grote liefde (Gijs Groenteman). Als ze in 2009 Next verruilt voor een dagelijkse column in de Volkskrant is ze net bevallen van haar eerste kind. Wie wil weten hoe haar zwangerschap, bevalling en de borstvoeding verliepen, kan het – als je ze allemaal zou lezen – opmaken uit haar columns in Margriet, VT Wonen, en Mama. „Voor die bladen bewaar ik de huis-, tuin-, en keukenonderwerpen. De echte gezinsdingen.”

Haar columns zijn een mozaïek van haar leven, haar boeken de weerslag van een periode in haar leven, al of niet afgesloten: Het jaar dat ik 30 werd, Het handboek voor de moderne vrouw, en nu net Het jaar dat ik (2 x) moeder werd. Het is het boek dat ze zelf graag gelezen zou hebben. „Ik schrijf over hoe het echt is.” Over haar misselijkheid, haar schuldgevoel, de zorgen, het verdriet. En haar „totaal uitgelubberde buik”. Allebei haar baby’s wogen tien pond bij de geboorte en kwamen met een keizersnede ter wereld.

We zitten bij eetcafé Spargo, aan de Linnaeusstraat in Amsterdam. Ze heeft een bril op, een smaragdgroen jasje en een kanariegele handtas. Ik zeg dat ze er volwassen uitziet. Ze begrijpt dat het bedoeld is als compliment. In haar columns beschrijft ze haar gestuntel zo genadeloos eerlijk, dat je bijna gaat geloven dat ze echt een kluns is. Dat valt wel mee. Alleen die „iets te harde spreekstem” (haar eigen woorden), die ze gemeen heeft met haar broer Jelle, dat klopt wel. Ze bekijkt de lunchkaart, aarzelt, mompelt dat het vandaag eigenlijk een balansdag is. Ze begrijpt dat daar een vraag over gaat komen, dus zegt ze vast: „Mijn vriend kan heel goed koken. Gisteren veel te veel gegeten. Ik probeer wat af te vallen.” Ze bestelt een club sandwich en een jus d’orange.

Nu haar boek net is verschenen, is er geen krant of tijdschrift meer waar ze niet in staat, al of niet op de foto met haar kinderen. Dat is nogal een risico, zeker als je weet hoe boos mensen worden van één column met een kind als onderwerp. Ze weet uit ervaring dat ze in de Volkskrant probleemloos kan schrijven over politiek, onverdoofde vrouwenbesnijdenis en de multiculturele samenleving. „Maar als je over je kinderen en je poezen gaat schrijven, krijg je pas echt agressieve reacties.” Tenzij je een man bent en columnist, zegt Aaf. „Dan is het weer heel aandoenlijk als je over je gezin schrijft. Ook al ben je nooit thuis.”

Bij de redactie van Geen Stijl dachten ze dat het moederschap van Aaf de reden was dat ze – sinds vorige week – niet meer elke doordeweekse dag een column schrijft voor de achterpagina van de Volkskrant, maar nu wordt afgewisseld met Sylvia Witteman. Dat de krant heeft besloten de columnisten om en om te plaatsen, heeft niets te maken met haar onderwerpen. „De redactie vond juist dat ik best meer mocht schrijven over mijn kinderen.” Ze zegt dat ze het eerst „best een lastig idee” vond dat ze haar vaste plek nu moet delen. „Maar Gijs zei: ‘zo hou je het misschien langer vol’. Elke dag een idee hebben is vermoeiend. Ik wil geen fabriekje zijn. Nu heb ik meer tijd om na te denken. Het schrijven kan ik in een uurtje, maar een onderwerp zoeken kan een dag duren.”

Vanochtend – het is maandag – heeft ze dus geen stukje geschreven, maar haar huis opgeruimd. Huisgehouden. „Heerlijk,” zegt ze. En ze meent het. Misschien is het juist die schaamteloze tuttigheid, die sommige lezers irriteert. Dat denkt zij ook. „Het is angst voor burgerlijkheid. Mij kan het niet burgerlijk genoeg zijn.” Huis, tuin, boom, poes, camping, kinderen. En dat komt misschien weer doordat ze zelf hoort bij de ‘eerste generatie slachtoffers van een niet-burgerlijke opvoeding’. Zo karakteriseert ze zichzelf in het Handboek voor de moderne vrouw.

Opvoeding

Na de dood van haar moeder, in 1981, deed haar vader de opvoeding alleen. Hij is de columnist en wiskundige Hugo Brandt Corstius. Negen maanden na de begrafenis verhuisden ze, met achterlating van de hond, voor een jaar naar Minneapolis waar hij een aanstelling kon krijgen aan de universiteit. Terug in Nederland was ze niet alleen een eenzaam kind met verlatingsangst, schrijft Aaf, maar kreeg ze ook een paar dwangneuroses (in glazen bijten, lettergrepen en leestekens tellen).

Meisjes die opgroeien zonder moederliefde, worden vaak onzekere moeders. Maar dat ze moeder wilde zijn, wist Aaf heel zeker. „Ik heb mijn hele leven al een kinderwens. Het was het wat ik het allerliefste wilde. Als meisje moederde ik over mijn zusje en mijn broertje. Als student had ik een kinderzitje op mijn fiets. Voor mijn oppaskinderen.” Ze werd eerst stiefmoeder, haar huidige vriend heeft een tweeling van 11 uit een eerder huwelijk. Ze ontmoette hem toen hij haar in 2006 interviewde in het Parooltheater. „Maar ik had hem op twintig andere manieren kunnen kennen. We hebben een soortgelijke jeugd gehad.” Zij zat op het Vossius Gymnasium in Amsterdam, hij één klas hoger op het Barlaeus. „We kennen elkaars kennissen.” Ze werden allebei door één ouder opgevoed. „Samen hebben we een complete familie.”

En nu is ze moeder. „Eindelijk.” En weet zij hoe het moet, opvoeden? Van haar vader heeft ze het vast niet afgekeken. Hij was, zegt ze, het type kluizenaar. Een liefdevolle kluizenaar, dat wel. Een die liefst lekker met de deur dicht columns zat te tikken. Tot haar achttiende moest Aaf om negen uur ’s avonds naar bed. Misschien heeft ze wat opgestoken van haar moeders moeder. De oma bij wie ze vroeger logeerde. Of van haar moeders zusje met wie ze de ‘gevoelsdingen’ kon bespreken en die twee keer per jaar met haar ging kleren kopen. (Van haar heeft ze het woord ‘tussenjas’. De jas die je draagt als het te warm is voor een winterjas en te koud voor een zomerjackje). Van Gijs, die al kinderen had. „Ik zag dat het zoals hij het deed leuke mensen werden.” Ze leerde het van zijn moeder, journaliste en presentatrice Hanneke Groenteman, die elke woensdag oppasoma is. „Zij was een bommoeder en heeft Gijs alleen opgevoed. Toegewijd en liefdevol. Ik had dat verzorgende niet zo in me. Ik kreeg een stoomcursus bij de Groentemannen.”

En ze heeft, zegt ze, alle opvoedboeken gelezen die er bestaan, al ver voor ze kinderen had. „Dat vond ik interessant en leuk. Zoals ik het ook leuk vond om te lezen over het gezin van Sylvia Witteman.” Ook, zegt ze nog even nadrukkelijk, toen ik zelf geen kinderen had.

Ze eet haar club sandwich half op. Het schaaltje chips op haar bord laat ze staan. „Ik moet hulp zoeken”, zegt ze. Benjamin eet niet. „Niks. Al een half jaar niet.” Zelf is ze nogal van de zachte hand, zegt ze. Naar haar luistert hij helemaal niet.

Ik vraag of hij nog wel goed groeit.

Direct stralend: „Hij is heel groot. Hij lijkt wel vier. Heel gezond. Nooit ziek. Een Viking.”

Ze hoort zichzelf. „Ik keek daar vroeger zo op neer. Op ouders die zich geen raad wisten met slechte eters. Slappelingen! Hoe moeilijk kan het zijn. Dacht ik toen.”

Onzekerheid en schuldgevoelens horen bij opvoeden, dat weet ze nu. „Doe ik het wel goed? Waar is gedrag gewoon karakter en stopt de opvoeding? Mijn zoon doet me denken aan mijn vader.” Ze vouwt haar handen tot een koker voor haar gezicht. „Rechtdoor. Ik doe het zoals ik het wil.” Ze kunnen het ook erg goed met elkaar vinden.

Als meisje voelde ze wel dat haar moeders dood voor hem heel erg moest zijn. „Zij was de sociale, de vrolijke. Zonder haar was hij alleen nog maar het tegenovergestelde.” Ze waren door vrienden aan elkaar gekoppeld. „Best een onlogische combinatie. Hij een eenzelvige wiskundenerd, zij twaalf jaar jonger en uitbundig.” Ze was, zegt Aaf, een grote liefde. Ik vraag hoe ze dat weet. Ze antwoordt oprecht verbaasd: „Anders krijg je toch geen drie kinderen?”

Ze is nu op een leeftijd dat de moeders van leeftijdgenoten beginnen weg te vallen. Ze is niet meer alleen moederloos. „En heel langzaam begin ik me voor te stellen hoe het voor haar was. De wetenschap dat je dood gaat.” Dat staat niet in haar columns, en ook bijna niet in haar boeken. De angst voor ziekte, de doodsangst bij het minste of geringste. Heel even, tussen de grapjes door, laat ze er een glimpje van zien.

Binnenkort gaat ze naar het ziekenhuis. Niks ernstig. Althans, ze is niet ziek. Ze heeft besloten haar buikwand te laten corrigeren. Toen ze acht maanden na de laatste bevalling nog gefeliciteerd werd met ‘de kleine op komst’ en hardlopen te weinig resultaat had, besloot ze het een plastisch chirurg te vragen of hij ook vond dat het nodig was. „Die vond me wel een ‘serieus geval’.”

Ze heeft een navelbreuk en haar buikspieren zijn uit elkaar blijven staan, waardoor haar buik uitpuilt. „Na de zomer gaat het gebeuren. Ik heb gevraagd of het ervoor kon, maar het is superdruk.” Nu nog wat afvallen, totdat ze op haar streefgewicht is. „Anders is het zonde. Ben je net strak, gaat het weer lubberen.” En dan weer zes weken revalideren met twee kleine kinderen om voor te zorgen, net zoals na de laatste keizersnede.

Ik vraag haar of ze weet hoe haar moeders bevallingen zijn gegaan en vind het meteen een stomme vraag. Alsof ze dat voor haar zesde met haar moeder zou hebben besproken. „Ik heb me dat zo vaak afgevraagd. En die vraag tijdens alle controles zo vaak met totale onwetendheid moeten beantwoorden.” En je vader dan, schiet me te binnen. Hij moet dat toch weten, zeg ik ook nog. Ze lacht vergoelijkend. „Hij heeft geen idee. Alleen dat het verschrikkelijk was. En dan trekt hij een heel moeilijk gezicht en zegt: ‘ik had zoveel weeën’.”