Taylor is ontmaskerd

Brute leiders zijn nog steeds aan zet in Afrika, al kijken ze tegenwoordig met een schuin oog naar het Strafhof. Voor gerechtigheid is meer nodig.

Net terug van het slagveld plofte Charles Taylor vermoeid in zijn leren leunstoel in de weelderige jungle van Liberia. Het was juni 1990 en hij was enkele maanden eerder zijn rebellie begonnen. „Ik zie niet hoe dit continent iets kan bereiken met zijn huidige leiders”, verzuchte hij. „De Afrikanen zouden hun leiders moeten doodschieten.”

De woorden rolden bij Taylor altijd prachtig uit de mond. Hij was een charismatisch leider die ook zonder fraude verkiezingen kon winnen. In 1997, na een vernielzuchtige oorlog met grove schending van de mensenrechten, vreesden de Liberianen Taylor in zulke mate dat ze hem tot president kozen. „No Taylor, no peace”, had Taylor gezegd. Eenmaal in het presidentiële paleis antwoordde Taylor op de vraag over zijn verleden: „Ook Jezus werd in zijn tijd als een moordenaar beschouwd”.

Met de veroordeling van gisteren is Taylor ontmaskerd. Maar betekent dit vonnis dat de cyclus van straffeloosheid in Afrika is doorbroken?

Misdadige politici en krijgsheren lijken zich tegenwoordig bewust dat hun handelingen niet onopgemerkt blijven. Rebellen in Congo vragen bezorgd aan journalisten of hun daden „in Den Haag” zijn opgevallen. Coupplegers in Mali en Guinee-Bissau letten naar verluidt op of ze niet over de schreef gaan voor Den Haag. In Kenia vroeg het parlement aan het Internationaal Strafhof onderzoek te doen naar de aanstichters van het verkiezingsgeweld eind 2007.

Maar gewetenloze leiders en brute rebellen zijn nog steeds aan zet in het Afrikaanse spel om de macht. De democratie en haar benodigde instituties hebben nog onvoldoende wortel geschoten. Twee door het Strafhof aangeklaagde hoofdverdachten in Kenia doen volgend jaar aan de verkiezingen mee. Het vonnis tegen Taylor toont rebellen en leiders bovenal dat ze beter moeten opletten, willen ze niet door internationale tribunalen ter verantwoording worden geroepen voor hun daden.

Straffeloosheid was in de hoogtijdagen van Taylor de norm in Afrika. Joseph Kony van het Verzetsleger van de Heer terroriseerde in die tijd het noorden van Oeganda. In samenwerking met invasielegers van Rwanda en Oeganda vochten eind jaren negentig strijders in Congo om toegang tot mijngebieden en de grondstoffen verdwenen naar de buurlanden.

Het Westen zag dit aanvankelijk door de vingers. De VS en Frankrijk onderhielden goede relaties met Taylor. De Oegandese en Rwandese presidenten Kagame en Museveni waren lievelingen van westerse donoren.

De oprichting van internationale tribunalen betekent niet dat de straffeloosheid ook verleden tijd is. Mede door de aanklacht van het Strafhof tegen Joseph Kony liep in 2006 regionaal vredesoverleg vast, ondanks de wens van vele Oegandezen voor een vreedzame oplossing. De leiders van Rwanda en Oeganda bleven onbestraft voor hun medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden in Congo en beide landen gelden als bondgenoten in de strijd tegen terrorisme.

President Compaoré van Burkina Faso, genoemd bij het vonnis tegen Taylor als medeplichtige, geldt nu als vredestichter in de regio. President Bashir van Soedan, door het Strafhof aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden, is nog steeds een vrij man. Het Strafhof ontbeert een eigen politiemacht om hem op te pakken.

Het vonnis tegen Taylor is een kleine stap naar gerechtigheid in Afrika. Daarvoor is meer nodig, zoals sterke gerechtelijke instituties. Bij gebrek daaraan besloten de meeste Afrikaanse staten zich aan te sluiten bij het Strafhof. Maar nu Afrika’s zelfverzekerdheid toeneemt, ervaren veel Afrikanen het als een belediging om door buitenlanders te worden berecht. De oppositie tegen het Strafhof groeit. Na het vonnis tegen Taylor spraken tegenstanders over rechtspraak van mensen met blauwe ogen. Blanke westerlingen dus.