Ik leef van wat ik bedenk

Arjen Lubach (32) won de Jongerenliteratuur Prijs. Hij staat ook op het podium en bedenkt grappen voor de tv. „Maar een boek houd ik graag serieuzer.”

Hij is cabaretier, tv-presentator, schrijft filmscenario’s, toneelteksten en teksten voor radio en tv, maakt de Rapservice voor het tv-programma Koefnoen en hij is betrokken bij website de Recensiekoning. Maar Arjen Lubach is vooral schrijver. Vorige week won hij de publieksprijs van de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs voor zijn derde roman Magnus. Het is een Vlaams-Nederlandse prijs voor het beste boek voor jongeren tussen de 15 en 30 jaar. Jongeren konden via internet hun stem uitbrengen voor de publieksprijs.

Is je boek voor jongeren bedoeld?

„Nee, maar kennelijk spreekt het hen wel aan. Het gaat over de belevingswereld van een jongere, dat zal het zijn. De hoofdpersoon Merlijn kijkt terug op zijn middelbareschooltijd en zijn eerste liefde en hij maakt keuzes in zijn carrière.

„Wat niet wil zeggen dat ik niet blij ben met de prijs. Juist wel. Magnus heeft blijkbaar een lange adem, het boek is van maart 2011. Toen het vier maanden in de boekwinkels lag dacht ik: nou het is wel klaar. Maar er kwam een tweede druk, een derde druk, vierde, vijfde. Bij mijn eerste boek had ik veel aandacht gekregen, ik was 26 en werd gezien als ‘jonge nieuwe schrijver’. Dat was nu niet zo, maar toch loopt het boek.”

Zie je jezelf primair als schrijver?

„Ja. Zeker na drie romans. Al moet ik het nog weleens tegen mezelf zeggen. Als mensen nu vragen wat ik doe dan zeg ik dat ik schrijver ben, maar dat heeft wel even geduurd. Als je één boek hebt geschreven en je doet verder vooral tv en radio dan kun je dat niet aan jezelf verkopen. Toch voelde ik mezelf altijd al een schrijver. Ik heb op mijn 19de een verhalenwedstrijd op de universiteit gewonnen. Dat was het moment dat ik wist wat ik wilde doen.”

Toch brak je met iets heel anders door bij het grote publiek. Je scoorde in 2001 een nummer-2-hit met een Nederlandstalige parodie op Eminems hit Stan.

„Het was mijn eerste wapenfeit. Ik studeerde filosofie en als grap maakte ik met een vriendin een tekst op dat nummer. Het was in één dag geschreven en we hebben er uiteindelijk een jaar van kunnen leven. Dat was een omslagpunt voor mij. Ik kom uit een academisch milieu. Mijn vader is hoogleraar, mijn broer advocaat en mijn moeder doceerde jeugdrecht. Het was niet de vraag óf ik ging studeren, maar wát ik ging studeren. Toen heb ik maar iets gekozen, al wist ik al dat ik wilde schrijven. Maar ik kende niemand uit de schrijverswereld, de kunstenaarswereld. Mensen om me heen zeiden dat bijna niemand doorbreekt met schrijven, of met muziek. Maar dan zei ik: maar er zijn wel mensen die wel doorbreken en waarom zou ik dat dan niet zijn? Toen het succes van dat liedje kwam, heb ik dezelfde week nog mijn studie stopgezet. Ik nam me voor om te gaan leven van wat ik bedenk. Dat lukt nu al elf jaar.”

De dingen die je naast het schrijven doet zijn vaak grappig: comedy bij je theatergroep Op Sterk Water en de Rapservice. Dit weekend verschijnt het boek van de Recensiekoning, waarvan de stukjes in de Volkskrant staan. Toch zit dat soort humor niet in je boeken.

„Dat doe ik heel bewust. Op het podium en voor tv en radio maak ik grappen, dan kan ik het boek serieuzer houden. Ik wil de boeken schrijven die ik zelf zou willen lezen. Schrijven werkt voor mij ook heel anders. Ik begin met een personage. Ik bedenk hoe hij leeft, hoe hij praat, hoe hij met mensen omgaat. Daar ga ik mee spelen. Merlijn was er trouwens al voordat ik het idee kreeg van de creditcard. Dat kwam later. Een vriend van mij werd een keer gebeld door zijn creditcardmaatschappij en bij hem was ook veel geld afgeschreven in een pretpark. Toen dacht ik: wat als Merlijn zelf op zoek gaat naar degene die zijn creditcard gestolen heeft? Dan begin ik met schrijven en bedenk ik op eenvijfde van het boek hoe het moet aflopen.”

Als het niet humoristisch is, wat voor beeld breng je dan naar voren in je boek?

„Mijn wereldbeeld is wel een beetje cynisch. Het is weinig hoopvol. Het is gespeend van elke vorm van religie. Ik geloof zeker niet in god, maar ik geloof ook niet in alle varianten die tussen het niets en een god inzitten. Ik ben heel nuchter. De mens is niet meer dan een soort chemische machine die met andere mensen interacteert. Maar als je dat weet en dan toch ontroerd kan raken van muziek of een zonsondergang, is dat extra mooi. Het is iets zuiver menselijks. Het is bijna een cynisch humanisme.”

Hoe kom je aan dat wereldbeeld?

„Mijn moeder ging dood toen ik twaalf was. Misschien is dat wel de reden dat ik geen kinderen heb. Straks zijn mijn kinderen twaalf en ga ik dood, denk ik dan. Ik weet het, zo moet je niet over de dingen nadenken, maar dat doe ik wel. Er gaat altijd iemand dood. In mijn hoofd gaat een relatie uit voordat het aan is.

„Jim Morrison zei zoiets als: I’m gonna get my kicks before the whole shithouse goes up in flames. Van kick naar kick leven. Dat is hoe ik het doe.”

Hoe zag je jeugd eruit?

„Wij woonden in een dorpje. In mijn herinnering was het altijd zomer en bouwden mijn broers en ik hutten. Toen mijn moeder doodging heeft mijn vader ons zo goed mogelijk opgevangen, maar het was ineens anders. Er kwam een stiefmoeder bij en een stiefbroer en een stiefzus en we verhuisden naar een andere plaats.”

Veranderde je?

„Ik ben gelovig opgevoed, maar toen ik een jaar of 14 was ben ik van mijn geloof gevallen. Ik besefte dat het allemaal nergens naartoe gaat. Zoals Schopenhauer zegt: mensen zijn de schimmel op de korst van de aarde. Als niets nut heeft, wat moet ik dan? Mijn antwoord was: mooie verhalen vertellen. Ik wil dat anderen hetzelfde voelen als wat ik voel wanneer ik het opschrijf. In Magnus zit een passage over dat toeval niet bestaat. Als iemand je belt terwijl je net aan diegene denkt, denk je dat dat geen toeval kan zijn. Maar Magnus legt uit dat je vaak honderd keer op een dag aan iemand denkt en dat het dus niet meer dan logisch is als iemand dan vroeg of laat op dat moment belt. Laatst zei een lezer dat hij daarvan onder de indruk was. Daar gaat het mij om. Het bereiken van gelijkgestemden.”

Hoe is deze Arjen te rijmen met die andere Arjen die honderd andere dingen doet? Wil je nog iets anders uitdragen?

„Juist niet. Ik krijg weleens het idee dat romanschrijvers opiniemakers moeten zijn. Dat wil ik niet. Ik ben misschien meer een absurdist, een satiricus. In de Rapservice zit wel politiek maar dat is nooit een statement. Het is meer het geklungel van politici. Ik ben ook niet heel politiek bevlogen. Ik zeg weleens: ik sta net als de koningin onder en boven de politiek. Ik vind niet dat zij dat alleenrecht mag hebben.”