‘Iets negatiefs leidt zo toch tot iets positiefs – een wonder’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering zes: schilder Ans Markus (1947).

‘Deze bovenste etage van ons pakhuis is woonkeuken en atelier ineen. Mijn dagritme ziet er in grote lijnen hetzelfde uit; zeven dagen per week. Tussen zeven uur en half acht sta ik op. Ik maak een gezond ontbijtje klaar en ga hier zitten, aan tafel, waar drie verschillende kranten klaarliggen die worden gespeld. En dan aan de gang. Doordat dit een woon- én werkomgeving is ben ik in feite continu met mijn werk bezig; ik zie het de hele dag op mijn ezel staan. Maar ik kan in deze ruimte prima ontspannen, ik geniet van het licht en de stilte. Als ik ’s morgens aan het ontbijt ga en ik kijk voor het eerst naar het werk van de vorige dag, zie ik vaak meteen wat ik fout heb gedaan. Ik zit hier constant in een cirkel van werken, en dat vind ik heerlijk. Het maakt het ook zo veel makkelijker om bijvoorbeeld ’s avonds laat door te gaan – soms doe ik dat, als ik er echt helemaal in zit.

Ik verzamel hier alles wat mij inspireert, op thema gerangschikt. Iedereen begint altijd maar weer over de schilderijen waarmee ik bekend werd, de vrouwen gehuld in windsels. Die stonden symbool voor kwetsbaarheid, onzekerheid. Maar dat was dertig jaar geleden. Mijn zelfvertrouwen was helemaal weg na een huwelijk met een man die mij systematisch kleineerde. In de periode daarna kwam die worsteling met mijn zelfbeeld tot uitdrukking in mijn schilderijen – ik wilde mezelf verbergen. Mijn huidige man ontmoette ik 22 jaar geleden en hij gaf me mijn eigenwaarde terug. Die windsels heb ik toen afgelegd. Sindsdien schilder ik heel andere dingen. Als ik een thema heb dat me raakt, waar ik voor mijn gevoel iets mee moet, ben ik meteen voor drie, vier jaar onder de pannen: ik maak veel schilderijen rondom dat ene thema. Dan ga ik door, door, zit ik in een soort roes. Medea; de taal van het lichaam; verstilde gebouwen; levensfases. Het begint met een schets. Die laat ik eerst ‘rijpen’: ik kijk er een tijd niet meer naar om. Als ik het dan na een paar maanden weer zie, weet ik meteen of het gevoel juist is, of ik ermee verder kan. Dan komt het echte werk. De eerste streken zet ik meestal op met Van Dyck’s bruin – een begrip onder schilders: een kleur die heel snel droogt en er nadien niet meer af te vegen is. Ik poets soms alles eraf en begin weer opnieuw, maar die lijnen blijven staan. Dat werkt fijn. Ik werk nat in nat, zoals dat heet. Daardoor kun je tijdens het schilderen blijven zoeken en dingen aanpassen. Ik schilder van de achtergrond naar de voorgrond: pas als de achtergrond helemaal klaar is komen de mensen eroverheen. Die olieverf, vooral de kleur wit, droogt heel langzaam; het moet eerst een paar weken blijven staan voor ik weer verder kan. Door die lange droogtijd werk ik aan meerdere doeken tegelijk. Sinds kort werk ik ook met andere technieken. Even iets heel anders, een nieuwe uitdaging. Ik maak nu beelden van brons, maskers van porselein. Het is heerlijk om die materialen in je handen te voelen. Met die maskers wil ik iets gaan doen – wat weet ik nog niet, maar dat vormt zich straks vanzelf.

Inspiratie haal ik vooral uit mensen. En uit mijn dagelijkse fietstochtje door de Jordaan; daar geniet ik intens van. Amsterdam blijft geweldig, je ziet zó veel. Of ik rij in de auto ergens en zie een landschap met mist, met van die vage kleuren boven de weilanden. Dan denk ik: hou dat vast, daar moet ik iets mee doen! De laatste jaren ben ik vooral bezig met de dood. Vorige week overleed mijn broer Tom, hij was architect en mijn grote voorbeeld – hij stimuleerde mij als klein meisje te gaan tekenen. Zijn ziekte en het stervensproces heb ik van dichtbij meegemaakt. En elke dag bezoek ik mijn moeder, die inmiddels 100 jaar is en hier vlakbij in een bejaardenhuis woont. Dit is van grote invloed op mijn recente werk. Ik kom soms zo triest bij haar vandaan, door wat ik daar om me heen zie. Sterke mannen en vrouwen, die soms een prachtige carrière hadden – nu veranderd in een zielig hoopje mens dat niets meer kan. Het verdriet daarover, die hulpeloosheid van die mensen, is dan iets wat ik verwerk in mijn schilderijen. Ik vind dat ook wel heel mooi: iets negatiefs leidt zo uiteindelijk toch tot iets positiefs. En eigenlijk is dat een wonder. Het is een antwoord op dat verdriet.

Ik bemerk een bepaalde arrogantie in het kunstcircuit. Dat ik behalve van schilderen ook van mode hou en soms op zo’n feestje word gesignaleerd kan natuurlijk helemaal niet. Als er eenmaal een beeld van je is gevormd, raak je dat bijna niet meer kwijt. Dat raakt me soms, ja. Maar veel belangrijker zijn de reacties die ik krijg vanuit het publiek. Dat zo veel mensen iets van zichzelf in mijn werk herkennen, dat het ze troost kan bieden – dáár gaat het om. Iets voor elkaar kunnen betekenen. Die waardering is mij honderd keer meer waard. Want het is toch een eenzame trip hoor, dat schilderen. Je begint alleen en eindigt alleen. Het is iets wat zo diep uit jezelf komt: ik móét dat schilderen, ik móét dat gevoel in een beeld vertalen. Het is geen keuze. Dit is wie ik ben. En dit is wat ik moet doen.”