Dwars werk van Haarlemse James Dean

Cornelis Bega: ‘De citerspeelster’. 1662
Cornelis Bega: ‘De citerspeelster’. 1662

Eleganz und raue Sitten – Cornelis Bega. Suermondt-Ludwig-Museum, Aken. T/m 10/6. Cat. (Belser Verlag): 292 blz, € 34,95. Inl.: www.cornelis-bega.de.

De schilderijen van Cornelis Bega (1631/32-1664) moeten in zijn tijd als behoorlijk tegendraads zijn ervaren. De hogere klasse beschouwde plattelanders in die tijd namelijk als lachwekkende halvegaren, maar Bega deelde die opvatting in het geheel niet.

Anders dan bijvoorbeeld Jan Steen of Adriaen van Ostade, die waarschijnlijk zijn leermeester is geweest, etaleert Bega geen denigrerende of karikaturale kijk op mensen van buiten de stad. In zijn schilderijen behouden ze hun waardigheid, hoe afgepeigerd of beschonken Bega ze soms ook afbeeldt.

Het Suermondt Ludwig Museum in Aken toont de eerste monografische expositie van werk van de vergeten en de te jong gestorven Haarlemse schilder Cornelis Bega. Veertig schilderijen en ongeveer evenveel tekeningen zijn er te zien, en ook is er van al zijn etsen een exemplaar te aanschouwen.

De tentoonstelling geeft haar charmes niet meteen prijs. In de nogal vervallen tentoonstellingszaal van het Akense museum hangen Bega’s schilderijen strak naast elkaar: doeken van meestal zo’n drie tot vier decimeter hoog, voorzien van enkele musicerende, drinkende en elkaar verleidende figuren. Bij nadere inspectie beginnen er echter eigenaardigheden aan de beeltenissen op te vallen. Zo blijken de gezichten van de uitgebeelde figuren opmerkelijk vaak geheel of grotendeels niet zichtbaar te zijn. Deze schilder beeldt vaak ruggen of verwrongen gezichten af.

Er valt bij Bega nog veel meer te ontdekken. Het kostbare vaatwerk waarmee de doorgaans eenvoudige hoofdpersonen zich omringen bijvoorbeeld, de dure stoffen waarin ze gekleed zijn, de theatrale poses, of de waardevolle muziekinstrumenten waarop ze spelen.

Het zijn allemaal elementen uit het welgestelde milieu van Cornelis Bega zelf. Hij stamde uit een artistiek geslacht: hij was zoon van een rijke edelsmid, en zijn grootvader van moederskant was de gevierde maniëristische schilder Cornelis Cornelisz van Haarlem. Door de erfenis van zijn vader was hij als achttienjarige al financieel onafhankelijk, waardoor hij reizen kon maken door Frankrijk, Duitsend en Zwitserland.

Een tekening van Leendert van der Cooghen toont hoe Bega eruitzag. Het blad ervan is interessanter vanwege de tekening op de achterkant, die niet alleen op z’n kop staat ten opzichte van de voorzijde, maar ook in andere zin een conversie inhoudt. Want nu zijn de rollen omgekeerd en heeft Bega zijn collega in zwart krijt geportretteerd. Het gezicht van de schilder is nauwkeurig gemodelleerd. Door de combinatie van een donkere achtergrond, een opvallend wit kraagje en een intense, hemelwaartse blik, lijkt Van der Cooghen wel een extatische heilige.

Uit dit blad blijkt het onmiskenbare tekentalent van Cornelis Bega. Terecht besteedt deze expositie dan ook veel aandacht aan zijn schitterende getekende oeuvre. Vooral zijn studies, in rood of zwart krijt, naar afzonderlijke figuren, hun uitdrukkingen en uitdossing, zijn van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Hoewel er enkele levendige portretten en face bij zijn, overheersen ook nu achterhoofden en wegkijkende gezichten, alsof het de kunstenaar vooral ging om houding en draperie.

Soms zijn de getekende figuren terug te vinden in Bega’s schilderijen. Daaruit blijkt dat de kunstenaar niet zomaar zijn luxueuze wereld transponeerde naar een gefantaseerde boerenomgeving. Hij bestudeerde zijn hoofdpersonen nauwkeurig en voelde kennelijk oprecht mee met het volk. Helaas maakte zijn voortijdige dood een einde aan de dwarse belofte die hij zich toonde.