Dit is geen land meer

Het is verleidelijk om de kiezer of de PVV de schuld te geven van de huidige impasse in Nederland. Maar Marjolijn Februari ziet de crisis vooral als uitvloeisel van een zelfzuchtige bestuurscultuur.

Wij allen vallen, zegt de dichter. Het kabinet valt. Zes kabinetten achter elkaar vallen. De FNV valt. De SER wankelt. De burger blijft ternauwernood nog op de been.

De val van dit kabinet – zeven weken lang parmantig vergaderen en dan met niets komen – is vooral heel duur. Het zal misschien nog niet eens zo schadelijk blijken voor het financiële vertrouwen van markten en consumenten. Maar het is zeker schadelijk voor het vertrouwen van de burgers in het bestuur. Kennelijk stonden die zeven weken van nietsdoen in het teken van voorbereiding op nieuwe verkiezingen. Dat roept bij de toeschouwers geen bewondering op voor de inzet van politici.

Dit is geen land meer, maar een verzameling van partijbelangen.

De versplintering van het collectieve belang werd goed zichtbaar bij de persconferentie waar het failliet van de onderhandelingen bekend werd gemaakt. De eerste bange vragen waren niet hoe het nu verder moet met het land, maar welk effect de val van het kabinet heeft op de peilingen. Alsof die hele economische crisis alleen maar een aanleiding is, een decor waartegen de politieke partijen hun grote spel spelen en elkaar hun zetels proberen te ontfutselen. Niet de aanpak van de crisis is van belang, maar de stemmenwinst voor de SP of de VVD.

Het beeld van versplintering werd natuurlijk nog versterkt doordat de PVV zich brutaalweg opwierp als belangenbehartiger van mensen met een AOW-uitkering. Uiteraard zijn politici gekozen om partijdig te zijn en het kan dan ook geen kwaad als ze het belang van een enkele bevolkingsgroep met kracht naar voren schuiven. Maar het wordt iets anders wanneer politieke partijen zo volledig samenvallen met dat deelbelang dat onderhandelen niet langer mogelijk is. Door het afketsen van het Catshuisoverleg werd de suggestie gewekt dat de AOW’er eenzaam en onverzettelijk tegenover de rest van de Nederlandse bevolking staat.

Het is verleidelijk de burger de schuld te geven van deze versplintering van het collectief. En dan het liefst de ontevreden burger die PVV stemt en hoopt dat er naar hem geluisterd zal worden. Uit veel hedendaagse analyses doemt de gestalte op van een burger die zijn stembiljet als een consumptiebon beschouwt. Die alleen enthousiast te maken is voor de publieke zaak als die op wonderbaarlijke wijze precies dezelfde is als zijn eigen private zaak. Een burger die van overheid en politiek verwacht dat die al zijn particuliere wensen zal inwilligen. Maar hoe verleidelijk het ook is naar de meest ontevreden kiezers te wijzen, er zijn belangrijker oorzaken voor het uiteenvallen van het land.

Als de kiezer ontevreden is, komt dat vooral doordat hij om zich heen kijkt en zich afvraagt ‘en ik dan?’ De versplintering van het collectief ontstaat niet bij de kiezer, het eraan ten grondslag liggende probleem is een bestuurscultuur waarin de eigen belangen voorgaan op het publieke belang. Die cultuur is bepaald niet voorbehouden aan de PVV. Overal sijpelt de zelfzuchtigheid vanuit de bovenste lagen in de samenleving door naar beneden. De ergste problemen zijn op dit moment nog niet aan de onderkant van de samenleving terechtgekomen, maar heel lang kan het inzinken van het dubieuze cultuurgoed niet meer duren. En voor je het weet gedragen de jongens op straat zich net zo als politici en bestuurders. Dat is niet best. Dat is, om het zo maar eens te zeggen, niet iets wat je in Nederland moet willen.

In België, waar vergelijkbare problemen spelen, deden de universiteiten van Leuven, Luik en Brussel onlangs in overheidsopdracht een onderzoek naar de zwarte economie. Ze vonden dat één op de zeven Belgen zwart werkt; vier op de tien Belgen hebben in het afgelopen jaar iets gekocht zonder belasting te betalen. Geschrokken deden de hoogleraren een beroep op het geweten van de Belg en ze stelden voor de pakkans te vergroten. Op de radio mijmerde de staatssecretaris voor de bestrijding van sociale en fiscale fraude over hogere boetes.

De hoofdredacteur van het Vlaamse weekblad Knack reageerde. De staatssecretaris kon nu wel oproepen tot straffen, schreef hij, maar daarbij vergat hij dan toch één ding. Internationale studies tonen namelijk steeds weer aan dat fraude onder de bevolking verband houdt met het gedrag van overheidsdienaren en politici. „Hoe hoger de kwaliteit van de overheidsdiensten en hoe geringer het aureool van corruptie rond de belangrijke politieke figuren, hoe geringer de neiging van de bevolking om te frauderen.”

Met dit in het achterhoofd hoefde je het Nederlandse nieuws maar een week lang bij te houden om te zien waar de ellende en het egoïsme op onze eigen straten vandaan komen.

‘Misstanden bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers bevestigd in een rapport.’

‘Door de arrestatie van financieel topman Marcel de V. vanwege corruptie kan woningcorporatie Vestia snel failliet gaan.’

‘Bij het zorgkantoor SPV is een inval gedaan en zijn spullen in beslag genomen. Eerder besloot zorgverzekeraar Menzis het contract met SPV te beëindigen vanwege mogelijke fraude. Het Hengelose zorgbureau is onlangs failliet verklaard.’

Asielzoekers, huurders in de sociale sector, zorgvragers: hun lot ligt net iets te vaak in handen van corrupte en frauderende bestuurders, die kennelijk het geloof in de publieke zaak allang hebben verloren. En die frauderende bestuurders hebben hun desinteresse in het collectief niet van een vreemde. Kijken ze naar boven, naar hun toezichthouders, dan zien ze daar al even weinig elan.

Een bericht van het ANP somde deze week een aantal fraudezaken op waarbij toezichthouders van woningcorporaties niet ingrepen. Bij de Stichting Gereformeerde Bouwcorporatie voor Bejaarden bijvoorbeeld. En wat deed de Raad van Toezicht, onder leiding van VVD’er Loek Hermans, tegen de misstanden bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?

Het is al met al niet verwonderlijk dat de burger aan de onderkant van de samenleving vertwijfeld om zich heen kijkt en zich afvraagt: en ik dan? Je zou natuurlijk tegen hem kunnen zeggen dat kwaliteit en betrouwbaarheid van bestuur uiteindelijk gewaarborgd worden door het recht. Dat je als kwetsbaar individu in geval van nood naar de onafhankelijke rechter kan. Maar hier wordt de situatie precair.

Vicepresident Donner toonde zich bij de presentatie van het jaarverslag van de Raad van State, begin deze maand, bezorgd om de toekomst van het recht in Nederland. Om de toekomst van bestaande instituties, constitutionele zeden en staatsrechtelijke regels. Ze kunnen, zei hij, als „institutionele obstakels” in de publieke besluitvorming gemakkelijk „worden omzeild, genegeerd of terzijde geschoven”. Door wie? Door de overheid. En dat gebeurt dan ook. Zo heeft de burger niet alleen te maken met een wankele bestuurscultuur en toezicht dat onvast ter been is, maar ook met het verdwijnen van bescherming.

Een voorbeeld? Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven deed onlangs een uitspraak die de zorgverzekeraars niet beviel. Om de privacy van patiënten te beschermen had de rechter bepaald dat artsen niet altijd de diagnose op de rekening hoeven te zetten. Maar zorgverzekeraars klaagden dat ze zo niet kunnen ‘sturen op doelmatigheid’. En omdat in overheidskringen het idee heerst dat je het recht gewoon ondergeschikt kunt maken aan de private belangen van de verzekeraars, vatten minister en College voor Zorgverzekeraars het plan op om de wet te veranderen. Zodat de rechter het nakijken heeft.

Veel besef van de waarde van de publieke zaak kom je niet tegen als je kijkt naar het gedrag van degenen die het land en de instituties daarvan besturen. Gelukkig is die diepe minachting voor de waarde van het recht voorlopig nog voorbehouden aan nette mensen zoals wij. Maar straks sijpelt ook deze ellende door naar beneden. Dan komt dit soort egoïsme en onfatsoen op straat terecht. Fijn. Berg je dan maar.

Meer over de crisis op pagina 12-13 en 16-17

Marjolijn Februari is columnist van NRC Handelsblad, schrijver, essayist, filosoof van moraal en recht