Schoonheid in het kleine en intieme

Festival Motel Mozaïque nam dit weekend bezit van de Rotterdamse binnenstad. De programmering was aan de veilige kant, met het woeste Soap & Skin en het frisse Django Django als positieve uitzonderingen.

Nederland, Rotterdam, 20-04-2012. Concert van Fink op Motel Mozaique. Foto: Andreas Terlaak
Nederland, Rotterdam, 20-04-2012. Concert van Fink op Motel Mozaique. Foto: Andreas Terlaak Andreas Terlaak

Festival Motel Mozaïque. Gehoord 20 en 21/4, op diverse locaties in Rotterdam.

Opgesloten in grote transparante cocons wierpen danseressen zich op de grond. Zij rolden rond, raakten verstrengeld in elkaar en wierpen zich daarna weer tegen de plastic wand, contact zoekend met de dansers erbuiten. Het is dit soort performances, nu van de Belgische theatergroep t.r.a.n.s.i.t.s.c.a.p.e. in de hal van de Rotterdamse Schouwburg, dat muziek- en kunstenfestival Motel Mozaïque kleurt. Een fascinerende onderbreking op avonden langs opwindende, nieuwe muziek in clubs als Rotown, Off-Corso en Bird.

Nog meer dan voorgaande jaren nam het festival Motel Mozaïque bezit van de Rotterdamse binnenstad. Op de twaalfde editie werden op vijftien podia alle registers opengetrokken; vooral muzikaal maar ook middels straatkunst op plaatsen die de niet-festivalbezoeker confronteerden. Het Schouwburgplein was weer het festivalcentrum, waar dit jaar een kolossaal opgeblazen witte kunstwerk van Rob Sweere de blikvanger was. Het was een ‘ervaringsruimte’ voor wie zin had om wat te mijmeren.

Verder was de ‘stedelijke natuur’ het podium voor straatmuzikanten van een zekere status – zoals Torre Florim van De Staat – en waren er concerten op het dak van de Hofbogen met slaapplekken voor de nacht.

Als er één conclusie te trekken valt over dit Motel Mozaïque is dat het eerder een editie was van romantiek en schoonheid in het kleine en intieme, dan van rauwe en stekelige avant-garde. Zeker het aanbod in de Schouwburg – de plek voor de publiekstrekkers – voelde veilig aan. De programmering was aan de behoudende kant.

Het festival bood een zaterdagavond van meevoerende stemmen van artiesten die niet per se hoeven te vlammen op het podium: een innemende Lisa Hannigan als folky Sirene met een buigzame lichthese stem en een beheerst theatrale Ane Brun, die met haar spannende bezetting van twee drummers duidelijk een sprong maakte in haar ontwikkeling.

En dan was er de ontwapenende Patrick Watson, die tussen witte lampenkappen met zijn hoge stem, melodische zinnenpracht, flarden klassiek piano én droogkomische opmerkingen de held van de avond wist te worden. Zeker toen hij zich met zijn band rond de microfoon schaarde, en er een vrolijke, bedwelmende samenzang ontstond.

Maar ook op vrijdag waren het opmerkelijke stemmen, van duister tot ijl, die een stempel drukten op het festival: de 22-jarige blueszanger Jamie N Commons bracht met zijn opmerkelijk ‘oude’ stem swamprock met een vettig, een groot publiek aansprekend randje. Dringen was het bij de jonge zonderling Ben Caplan met zijn opmerkelijke oude mannenbaard. Hij wist zijn pathos maar nauwelijks binnen de oevers te houden.

De Oostenrijkse zangeres Soap & Skin wierp de golven woest en soms behoorlijk vals op. Zij trok met piano, elektronica en een strijkensemble een fascinerend beklemmende, schizofrene sfeer op. Vooral door zich dan weer kwetsbaar, dan weer bijna hysterisch te presenteren.

Bij zanger Fink bleef de spanning juist onderhuids sluimeren, prachtig gedoseerd, met een drummer en bassist in een schelp van licht. Het gevoel dat hij wist te leggen in zijn lage, steeds weer aanzwellende schemerliedjes kwam goed over.

Uitzien was het naar bands als The Maccabees en Django Django. Ze moesten dit festival echt bewijzen wat ze waard zijn als veelbelovende nieuwe acts. De indie rockband The Maccabees kon echter weinig overtuigen met hun rommelige, harde set waarin liedjes klonken zonder de nuance en gelaagdheid van hun platen. Geluidsproblemen zijn altijd jammer, maar ook de achteloze, veel te opgepepte uitstraling deed de band weinig goed.

Django Django, voor het eerst in Nederland, bewees juist een heerlijk fris, actueel en vooral aantrekkelijk spelende band te zijn. In een volgepakt, broeierig heet boogzaaltje – een ware pizzaoven aldus de zanger – gaf het kwartet een speels optreden waarbij het echt genieten was van het speelplezier en de warmte waarmee het publiek hen ontving.

Django Django trok vrolijk van leer. Alles was pakkend en bij vlagen was het gewaagd: de koppeling van vreemde vogelgeluidjes aan dubbele zanglijnen, de ongewone maar aantrekkelijke ritmiek, de talrijke invloeden uit een grote muzikale rugzak verwerkt in een dynamisch geheel. Voor dit soort bandjes ga je graag op pad.