Gezellige vereniging of net een bedrijf?

De succesvolste club van het Nederlandse korfbal, PKC, verloor zaterdag de finale in Ahoy. De club trekt veel jong talent en blijft maar groeien.

Papendrecht. Korfbalstad van Europa. De tekst op de toegangspoort tot het sportcomplex waar PKC speelt laat er geen misverstand over bestaan: Papendrecht is het epicentrum van het Nederlandse korfbal. Het is de thuisbasis van PKC, met een kleine duizend leden de grootste en succesvolste korfbalclub ter wereld. Veertien keer werd PKC landskampioen op het veld en zeven keer in de zaal. De achtste zaaltitel laat nog even op zich wachten. PKC ging in de korfbalfinale zaterdag met 20-19 onderuit tegen Koog Zaandijk in een afgeladen Ahoy.

„PKC is een sociaal nest”, zegt voorzitter Martin Dekker, al veertig jaar lid. „We zijn de grootste korfbalclub, maar dat gaat niet ten koste van het verenigingsgevoel. Iedereen kent elkaar, en heeft het gezellig.” Volgens Dekker is de club nog niet uitgegroeid. „Ik hoor weleens dat we te groot zijn. Onzin. We willen mensen juist nog meer betrekken bij de vereniging.”

Het succes van PKC ontstond in de jaren 70 toen de twee Nederlandse korfbalbonden fuseerden. De Nederlandse Korfbalbond (NKB) en de Christelijke Korfbalbond (CKB), waarvan PKC destijds deel uitmaakte, gingen in 1970 samen op in het KNKV, het Koninklijk Nederlands Korfbalverbond. Het was de start van de opmars van PKC. „Halverwege de jaren zeventig promoveerden we naar de hoogste klasse en zijn we nooit meer weggeweest”, herinnert oud-speler Paul Boon (67) zich.

Boon speelde veertien jaar in de hoofdmacht van PKC. Hij werd op zijn tiende lid en is dat altijd gebleven. Boon vertelt dat PKC geleidelijk uitgroeide tot een topclub. „Toen die bonden fuseerden, kwamen trainers naar PKC met veel korfbalkennis. Mensen als Kees Hubert en Anton Mulders zijn erg belangrijk geweest. Zij hebben professionaliteit gebracht. Elk jaar kwamen er zo’n dertig, veertig leden bij en daardoor groeide PKC uit tot een grote club waar veel kennis over het spel aanwezig was.”

Die kennis zit in alle geledingen van de club. Het eerste van PKC wordt getraind door Jan de Jager en Ben Crum, die al jaren meedraaien in de top van het nationale korfbal. Meest ervaren speelster is de 34-jarige Mady Tims, sinds het WK in eigen land in 2005 een van de boegbeelden van het korfbal in Nederland.

De dominantie van PKC heeft de club een wat arrogant imago opgeleverd. PKC is als het Ajax van het korfbal. Vaak de beste en even zo vaak verguisd door concurrenten. „PKC’ers zijn arrogant en zelfingenomen. Dat leer je als kind”, zegt Kees Klop, die met zijn zoon de overstap maakte van concurrent HKC omdat de uitdaging groter is bij PKC. „Van die arrogantie heb ik hier niets gemerkt. Van buiten krijg je misschien het gevoel dat het een gesloten club is, maar je wordt hier enorm hartelijk ontvangen. Ik merk dat ik weinig op mijn oude club kom, omdat het hier zo gezellig is.”

Toch is niet iedereen zo positief over het verenigingsgevoel bij PKC. Volgens sommigen is de club te groot geworden. „Het is bijna een bedrijf”, vindt verzorger Sjaak Euser, al bijna veertig jaar in verschillende functies aan de club verbonden. „Vroeger kende ik hier iedereen. Nu zie ik regelmatig onbekende gezichten. Dat is soms wel jammer. Maar terug naar vroeger zie ik niet zo snel gebeuren. De club wordt alleen maar groter.”

Die groei heeft deels ook te maken met jonge talenten die steeds vroeger de overstap maken naar topploegen als PKC. De kloof tussen de top en middelmaat wordt daardoor steeds groter. Voorzitter Dekker: „Jonge kinderen en hun ouders zien dat wij de beste faciliteiten hebben en een topsportklimaat proberen te realiseren. Die willen dan al snel deze kant op. Dat kan een gevaar zijn voor het niveau van de competitie, maar wie zijn wij om de grootste talenten te weigeren?”