Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Politiek

De politiek in Nederland: Laat het testosteron knallen

NRC-redacteur Hubert Smeets las een stapel boeken en concludeerde afgelopen vrijdag in Boeken al dat de mannelijke politiek in Nederland regeert: ‘Laat het testosteron knallen. Ten aanval. De rommel ruimen we later wel op.’ Een dag later ontplofte het Catshuisoverleg. Daarom hier het volledige stuk van Smeets. Heeft hij gelijk? Als er één land in

NRC-redacteur Hubert Smeets las een stapel boeken en concludeerde afgelopen vrijdag in Boeken al dat de mannelijke politiek in Nederland regeert: ‘Laat het testosteron knallen. Ten aanval. De rommel ruimen we later wel op.’ Een dag later ontplofte het Catshuisoverleg. Daarom hier het volledige stuk van Smeets. Heeft hij gelijk?

Als er één land in West-Europa is dat de ondergang van het communisme niet onder de knie heeft gekregen, dan is het Nederland. Al twintig jaar verkeert het in, naar een oud woord, manisch-depressieve sferen. Nederland is een natie van de ‘verworpen tijdperken’, zoals historicus James Kennedy in 2004 zei in De Groene Amsterdammer. We waren toen een jaar of drie in de tweede fase van ons postcommunistische syndroom.
In de jaren negentig had Nederland acht jaar lang met Paars geleefd. Na driekwart eeuw was het CDA uit het centrum van de macht verjaagd. Dat werd toen, anti-historisch, vergeleken met de ondergang van de communistische partij in Rusland. Niettemin: de vrije burger was slechts een kwestie van tijd. Het woord was aan het (neo)liberalisme: aan de ‘Washington Consensus’ over dereguleren, privatiseren en liberaliseren. VVD-leider Frits Bolkestein stelde terecht en tevreden vast dat de PvdA de ideologie én het beleid van de VVD voor haar rekening nam. Goh, wat waren we verbaasd door World Online, om die combinatie van optimisme en oplichterij.
Plots kantelde de stemming en ging het maar om één ding: de kloof tussen de politiek die er in een ivoren toren warmpjes bijzit en het volk dat dagelijks moet knokken in de frontlinie van een cultuuroorlog. Het populisme ging via de Lijst Pim Fortuyn, Rita Verdonk en Geert Wilders zelfs regeren. Salonfähig populisme: dat was ongekend omdat Nederland deze vorm van democratische expressie zelden had gekend.
Dit unicum blijft tien jaar ná de moord op Fortuyn een stroom historische en politieke beschouwingen oproepen. Politicoloog Meindert Fennema bijvoorbeeld actualiseerde zijn uit 1995 daterende handboek Van Thomas Jefferson tot Pim Fortuyn. Docent Jan de Kievid deed dat met zijn leerboek Democratie. Ideaal en weerbarstige werkelijkheid. Topambtenaar Roel Bekker schreef Marathonlopers aan het Binnenhof, een reeks ‘curricula vitae’ van de secretarissen- en directeuren-generaal (sg/dg) die de Nederlandse bureaucratie vorm gaven. Liberaal Dirk Verhofstadt bundelde in De open samenleving onder vuur vijf Popper-lezingen. Politicoloog Paul Lucardie en historicus Gerrit Voerman van het Documentatie Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen publiceerden het geschiedkundige overzicht Populisten in de polder. En socioloog Willem Schinkel gaf het ideologische traktaat De nieuwe democratie uit.
Die laatste twee boeken zijn het interessantst, omdat ze expliciet omgaan met de vraag of Nederland onder invloed van het populisme ten einde raad is. Is dat dan zo?
Fennema ligt er niet wakker van. Slechts 2,6 procent van de bevolking participeert in een van de politieke partijen. Maar dat wil niet zeggen dat de Tweede Kamer het volk niet meer vertegenwoordigt. Fennema beantwoordt niet de kwestie hoe het parlement de burger moet weerspiegelen: sociologisch (een evenredig aantal vrouwen, etniciteiten, provincialen, religieuzen enzo), corporatief (naar sociaal-economische positie) of ideologisch naar beginselen.
‘Ideologische representatie is in liberale democratieën het dominante ideaal’, schrijft Fennema. In Nederland is het in de laatste twintig jaar ‘dichterbij gekomen’ dan in de (linkse) politieke jaren zeventig/tachtig. ‘De opkomst van de SP, LPF en de PVV zijn daarvoor in grote mate verantwoordelijk’, aldus Fennema. Deze partijen hebben aan het licht gebracht wat de Duitse sociologen Max Weber (1864-1920) en Robert Michels (1876-1936) een eeuw geleden voorspelden: het verlangen naar charismatisch leiderschap in crisistijd omdat gevestigde politieke partijen alleen nog een introverte oligarchie kunnen voortbrengen.
De gevolgen voor de bureaucratie in Weberiaanse zin zijn desondanks niet mals, constateert Roel Bekker in zijn biografische schetsen van krachtpatsers als Joseph Molkenboer, Albert Mulder of Jan Riezenkamp. ‘Het politieke systeem wordt steeds politieker, ambtenaren worden ambtelijker, en de derde functie als het gaat om de overheid, het bestuur, wordt de dupe’, aldus Bekker, die op een groot aantal ministeries ambtelijke leiding gaf en tot zijn ‘pensionering’ de Elsschotiaanse titel ‘secretaris-generaal Verandering Rijksdienst’ had.
En dat in een land dat geen serieuze populistische traditie heeft gekend, omdat het door de religieuze scheidslijnen en verzuiling nooit één volksentiteit kon omarmen. Anders dan in bijvoorbeeld Amerika is populisme in Nederland vooral een neveneffect geweest van crises in de toch al verdeelde natie. En dan nog is het de vraag of sommige politici die een populistische stijl hanteerden er ook een navenante ideologie op nahielden over de kloof tussen het eerlijke volk en de vuige elite. Van de patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol aan de vooravond van de Franse Revolutie via de anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis en diens gereformeerde tegenhanger Abraham Kuyper tijdens industrialisatie en homogenisering van het koninkrijk of van de botte briljante liberaal Willem Treub na de Eerste Wereldoorlog tot Hendrik Koekoek en zijn Boerenpartij in de jaren zestig: onversneden populisten kunnen ze geen van allen worden genoemd.
Pas in de jaren negentig, als de ontzuiling haar voltooiing bereikt en er geen aanleiding meer is voor Koude Oorlogideologie, komt er echt ruimte voor populisme. Lucardie en Voerman doelen op de SP die, ondanks haar afvalligheid van het marxistisch-leninisme eind jaren negentig en protest van partijleider Jan Marijnissen tegen de kwalificatie ‘populist’, voortborduurt op de maoïstische ‘massalijn’. Op de Leefbaren. Op Pim Fortuyn, die in korte tijd dé populistische profeet werd. Op Rita Verdonk, die niet in de vergetelheid mag raken omdat zij zich positioneerde als stem des volks tegen de ‘verzuurde’ blazerelite van de VVD. En op de PVV van Geert Wilders. ‘Nederland is een normaal Europees land geworden: het heeft naast liberale, sociaal-democratische, christen-democratische en groene partijen nu ook een nationaal-populistische en zelfs een sociaal-populistisch getinte partij’, concluderen Lucardie en Voerman.
Waar hebben we het dus over? Alleen over de zorgen van een elite die dat zich nooit echt tegenover het volk hoefde te verantwoorden? Ja, daar hebben we het over, zegt Schinkel in De nieuwe democratie.
Het kost even voordat je tot die conclusie bent doorgedrongen. Anders dan de beschrijvende historici Lucardie en Voerman gaat socioloog Schinkel met een hark door de geschiedenis. In de geglobaliseerde wereld is elke oorlog een ‘burgeroorlog’ geworden, postuleert hij bijvoorbeeld apodictisch. De lezer dient zich ook anderszins schrap te zetten. Schinkel (36) speelt qua stijl en vocabulaire leentjebuur bij zowel het Nijmeegse neomarxisme van de jaren zeventig als bij het postmoderne agressieve krakerjargon van de jaren tachtig. Bovendien verwaardigt Schinkel het zich niet zijn betoog toe te lichten met feiten en cijfers. Hij biedt zo geen ruimte om boude zinsneden als ‘Fortuyn vond het volk uit’ te verifiëren of te falsificeren.
Maar Schinkel heeft Bekkers angst, dat het publieke domein uit elkaar valt door de kloof tussen politici en ambtenaren, wel haarscherp in de smiezen. Verwijzend naar de waarneming van de historicus Henk te Velde dat het geen toeval is dat het parlement in 1940 direct werd ontbonden en na 1945 een jaar lang niet werd herkozen, stelt hij vast: ‘De Nederlandse politiek wordt gekenmerkt door een sterke bestuurlijke mentaliteit’ die wordt opgevat als ‘probleemmanagement’. In het verlengde daarvan noemt hij het heersende ‘neoliberale communitarisme’: de staat draagt zijn taken over aan de burger en verwijt diezelfde burger vervolgens dat die te weinig gemeenschapszin aan de dag legt.
Aldus wordt duidelijk uit welke hoek de wind waait: uit de hoek van het anti-establishment. Schinkel werpt zich op als ideoloog van een nieuw Nieuw Links, dat zich niet neerlegt bij het idee dat ‘we’ ons nu eenmaal moeten aanpassen omdat de geschiedenis leert dat dit of dat toch niet kan. Waarom, zo vraagt hij zich af, moet er worden bezuinigd op de overheidsfinanciën nadat de Staat eerst de particuliere banken overeind hield? Waarom lijden we aan ‘economische vergeetachtigheid’ als we katoentjes van Adidas kopen, die toch echt door Indiase kinderen in elkaar zijn gezet, en beroepen we ons tegelijkertijd op ‘culturele herinnering’ als we een volwassen moslima wel als slachtoffer van onderdrukking bestempelen?
Goede vragen. Maar bij de beantwoording gaat de achterdocht soms met Schinkel op de loop. En dat leidt dan weer tot een interessante maar licht paranoïde exercitie als hij Wilders als ‘ordenend principe’ in de politiek beschrijft. De PVV-leider is een ‘groot zwart gat waarin de politiek lijkt te verdwijnen’, aldus Schinkel. Het bestaan van de PVV en vooral haar ‘anderhalf miljoen’ kiezers is alibi en dekmantel tegelijkertijd. De (vice)premiers Mark Rutte en Maxime Verhagen kunnen dankzij Geert Wilders net een toontje lager aan hetzelfde programma werken. Om het in oud-linkse termen te zeggen: het is Wilders’ objectieve functie om ruimte te scheppen voor bondgenoten die hun verwantschap niet openlijk kunnen opbiechten maar wel diens ‘reactionaire’ visioen gebruiken voor hun sanering van de staat.
Het is geen toeval dat ‘potentieel subversieve sectoren als kunst en wetenschap’ ook ingrijpend worden aangepakt, betoogt Schinkel. De huidige ‘neonationalistische’ coalitie wil namelijk terug in de tijd. Naar een ‘Museum Nederland, met zijn naar binnen gekeerde blik, zijn gerontocratische mentaliteit en zijn behoudzucht van geschiedenis en zijn ‘Nederlandse waarden’.’
Erger, ook traditioneel links heeft zich laten opsluiten in dit museum. Hoog tijd voor een links neonationalistisch antwoord, stelt Schinkel. Zonder natie is er immers geen democratie. Hij bepleit dus een ‘kritisch nationalisme dat de natie beschouwt als een collectief huis dat niet alleen een thuis biedt aan zijn bewoners, maar dat ook in staat is om te gaan met het feit dat het leven een permanente verbouwing behelst’. Oubollige revolutionaire dynamiek? Nee, Schinkel vertolkt een standpunt dat wel degelijk weerklank kan vinden in het links-populistische kamp dat een ideoloog van de grote greep ontbeert.
Alleen al daarom is De nieuwe democratie een belangrijk boek. En een verontrustend boek. Want Schinkel schetst deze weg zonder zich al te zeer te bekreunen om eerdere fiasco’s en andere historische wanvoorbeelden. Zo pleit hij voor een nieuw soort ‘Raad van State tegen markt en media’, een agora waarin het volk zich actief als tegenmacht presenteert (en niet alleen maar passief wordt gerepresenteerd). Voor hem is democratie geen relatief begrip, dat meegolft met de maatschappelijke stromen, maar een reëel bestaand ideaaltype. Schinkel ziet democratie ook niet primair als een procedure om tot maatschappelijke ordening te komen. Democratie draait in zijn ogen allereerst om de inhoud van de besluiten. De kwaliteit daarvan bepaalt de kwaliteit van de democratie. Vormvastheid en compromisbereid lijken in deze democratie-opvatting van later zorg. In de jaren zeventig vond links dat, nu vindt rechts dat.
Als antipode van het nostalgisme, waarmee Geert Wilders zijn achterban rekruteert, oogt deze tegenaanval verfrissend. Het is, in de woorden van de socioloog Merijn Oudenampsen, een vorm van ‘terugneuken’. Maar als alternatief is Schinkels volkse Raad van State ouwe koek uit een al vaak leeggegeten trommel.
Heeft Karl Popper (1902-1994) dus wederom gelijk in zijn kritiek op het historicisme, het teleologische geloof dat niet de mens maar een of andere onafwendbare theorie de geschiedenis maakt? ‘Het lijkt wel of historicistische denkbeelden gemakkelijk veld winnen in tijden van grote sociale veranderingen’, zo citeert Dirk Verhofstadt hem in De open samenleving onder vuur.
Zo is het inderdaad. Terwijl de machtsverhoudingen verschuiven ten gunste van nieuwkomers en de afstand tussen bovenlagen en onderklassen toenemen, raakt masculiene politiek meer en meer in de mode. Ook in Nederland en zelfs onder Poppers geestverwanten. ‘We zijn een feminien land geworden’, schreef Frits Bolkestein twee weken geleden chagrijnig in de Volkskrant.
Willem Schinkel is net zo mannelijk. Laat het testosteron knallen. Ten aanval. De rommel ruimen we later wel op. Nederland is zijn manisch-depressieve buien nog lang niet te boven. Op een afstand is het soms geinig. Maar wie bipolariteit beter bekijkt, weet dat manische drift vooral schade berokkent.

Verder lezen:
Willem Schinkel: De nieuwe democratie. Naar andere vormen van politiek. De Bezige Bij, 368 blz. € 18,50
Meindert Fennema: Van Thomas Jefferson tot Pim Fortuyn . Balans van democratie. Spinhuis, 352 blz. € 25,–
Paul Lucardie & Gerrit Voerman: Populisten in de polder. Boom, 168 blz. € 18,50
Dirk Verhofstadt (red): De open samenleving onder vuur. De wereld van nu in popperiaans perspectief. Lemniscaat, 147 blz. 19,50
Roel Bekker: Marathonlopers rond het Binnenhof. Topambtenaren bij het rijk van 1970-2010. Boom, 435 blz. € 45,–
Jan de Kievid: Democratie. Ideaal en weerbarstige werkelijkheid. ProDemos, 331 blz. € 24,95