Yellow cabs

A taxi drives down 5th Avenue in New York, Wednesday, June 14, 2006. In New York, the capital of world finance, the hottest investment isn't stocks, bonds, commodities or even Manhattan apartments. It's taxi medallions, the metal plates affixed to the hoods of the city's 12,779 yellow cabs. Photographer: Daniel Acker/Bloomberg News.
A taxi drives down 5th Avenue in New York, Wednesday, June 14, 2006. In New York, the capital of world finance, the hottest investment isn't stocks, bonds, commodities or even Manhattan apartments. It's taxi medallions, the metal plates affixed to the hoods of the city's 12,779 yellow cabs. Photographer: Daniel Acker/Bloomberg News. BLOOMBERG NEWS

New York krijgt nieuwe taxi’s. Dat las ik op de website Creative Good van Mark Hurst, een Amerikaan die me regelmatig op de hoogte houdt van zijn plannen, denkbeelden en maatschappijkritiek. Hij heeft een consultancy, wat we in het Nederlands nog wel eens een adviesbureau noemen, en hij is vervuld van louter goede bedoelingen. Nog niet zo lang geleden heette zijn onderneming Good Experience. Zulke weldoeners heb je in Amerika meer dan bij ons, en bovendien verdienen ze er geld mee. De onderneming van Mark bestaat vijftien jaar. Nu heeft hij kritiek op de vernieuwing van het New Yorkse taxibedrijf. Zijn bezwaar is dat de klanten niet zijn geraadpleegd. Hij heeft gelijk.

Het systeem dat het taxibedrijf regelt, werkt onberispelijk. Je komt aan op Kennedy Airport of het vliegveld van Newark. Na het vervullen van de digitale formaliteiten loop je naar buiten. Daar staan keurig in de rij de mensen op hun beurt te wachten. Meestal gaat het snel, want onophoudelijk komen er lege taxi’s aangereden. Je bent aan de beurt, zegt tegen de chauffeur waar je heen wilt, Manhattan, Brooklyn of een ander stadsdeel, en dan ervaar je een klein wonder: welk adres je daarna ook opgeeft, je betaalt een vaste prijs, de flat rate. Als je op je plaats van bestemming bent, geef je nog een fooi en dat is dat.

Zeker voor Amsterdammers is dat nauwelijks te bevatten. Een paar weken geleden wilde ik van het centraal station met een taxi naar huis, stond ook eerst in de rij die bewaakt werd door een man formaat gewichtheffer. Ik was aan de beurt, twee taxi’s reden voor, de chauffeurs stapten uit, probeerden zich meester te maken van mijn koffertje, er ontstond het begin van een gevecht. De krachtmens sprong tussenbeide. Intussen zag de derde chauffeur zijn kans. Ik stapte in, gaf het adres en werd ondanks de tomtom in het dashboard via een dubbele omweg naar de plaats van bestemming gebracht. Dat is dan 23 euro meneer. De helft was al te veel geweest. Maar wat doe je? Betalen. Dat het Amsterdamse taxibedrijf chronisch aan zulke gebreken lijdt, hoort tot de kleinere wereldraadsels.

Terug naar New York. Een jaar of tien geleden, schat ik, had de stad behalve dit voorbeeldige systeem ook prachtige taxi’s. Chevrolets geloof ik. Grote lage auto’s, type slee of zoals de Duitsers zeggen: Strassenkreuzer. Je betaalde een vaste prijs om je naar Manhattan, Brooklyn of een ander stadsdeel te laten rijden, naar welke straat dan ook. Daar zat je comfortabel op de achterbank, door een schuifraampje gescheiden van de chauffeur, je keek televisie of naar buiten, werd feilloos naar het opgegeven adres gebracht, betaalde, gaf een fooi en dat was dat.

Over de chauffeurs in New York heb ik nog steeds niets te klagen. Er zijn veel heren uit India en Pakistan bij, een enkele Arabier, en één keer heb ik een spraakzame Roemeen getroffen. Where do you come from, vroeg hij. Emsterdem, zei ik. Ah, zei hij, blowie blowie, fuckie fuckie. Het systeem is door en door multiculti en het is en blijft volkomen in orde. Maar de laatste jaren is er een verandering ingeslopen. De oude chevvies raakten versleten; er kwamen steeds meer nieuwe modellen. Bol gevormde Japanners, uitgekiende modellen met een ergonomische kofferruimte, veel moderne fantasie waardoor de oude visuele orde van de straat werd verstoord. Ik begon me ontheemd te voelen. Mijn vertrouwde hotel, het Chelsea, wordt radicaal verbouwd, oude kroegen zijn gesloten en nu ook nog nieuwe taxi’s. New York begint een bar land te worden.

Maar er blijft één voordeel gehandhaafd, hoop ik tenminste. In een taxi daar ga je niet naast de chauffeur zitten. Hij heeft zijn eigen privacy. In Nederland zie je voortdurend taxi’s met de passagier naast de chauffeur, met zijn neus zo dicht mogelijk bij de voorruit. Dat, denk ik dan, moet voor die man een dagelijkse hel zijn. Hoeveel klanten heeft hij per dag? Twintig? Dertig? In ieder geval zit hij dan iedere rit op een oppervlakte van een paar vierkante meter opgesloten met een wildvreemde. Al die passagiers vertonen hun eigen hebbelijkheden, zijn op hun manier eigenwijs, hebben zich niet of juist met de allergeurigste zeep gewassen, bedenk hoe ze zich verder op hun allerpersoonlijkste manier manifesteren. Iedere rit waarbij de passagier voorin zit, betekent een inbreuk op de privacy van de chauffeur.

In Amerika heeft de chauffeur zijn beschermende schuifraampje tegen die invasie, en in sommige gevallen kan je er ook nog via een klein loketje betalen. Dat wordt daar tot de normaalste dingen van het dagelijks leven gerekend. Hoe komt het dat het hier zo volstrekt anders is? Nederlanders beschouwen het vertoon van ongevraagde intimiteit als een vanzelfsprekend aspect van het dagelijks leven. We hebben er een mooie uitdrukking voor: op elkaars lip gaan zitten. Een schuifraampje ter bescherming van de chauffeur zou hier door de passagier als een belediging worden beschouwd. Nu krijgt New York nieuwe taxi’s. Mag dat schuifraampje bewaard blijven.