Waar bericht je wel en niet over?

De berichtgeving over Breivik zit vol journalistiek-ethische dilemma’s, zegt een Noorse journalist. Een transparant proces is het beste antwoord op complottheorieën.

Als journalist van de toonaangevende Noorse krant Aftenposten heb ik talloze discussies gevoerd over ethische dilemma’s inzake de berichtgeving over de aanslagen van 22 juli vorig jaar. Wij bespreken onze beroepsethiek niet alleen op de redactie. Na de aanslagen, en vooral in de aanloop naar de rechtszaak, hebben we in het hele land een open debat gevoerd.

Een paar dagen na 22 juli kreeg ik een telefoontje van een Nederlandse collega die vroeg waarom de Noorse pers niet schreef over het werk van de politie, dat volgens haar wel heel slordig was geweest.

Het duurde enkele weken voordat Aftenposten en andere Noorse kranten werk maakten van de journalistieke kerntaak om pijnlijke vragen te stellen. Meteen na de aanslagen was de Noorse samenleving nog niet toe aan dergelijke kritische journalistiek en ik denk dat wij als journalisten niet bereid waren het gevoel van eenheid te doorbreken waardoor het land werd beheerst.

Er zijn zeker verkeerde beslissingen genomen. Terwijl de kinderen zich op Utøya schuilhielden, belden enkele journalisten hen op hun mobiele telefoon. De dag erna hadden twee kranten op de voorpagina foto’s van gemakkelijk herkenbare lijken. Dat deugt natuurlijk niet. De nationale commissie voor persklachten heeft hier kritiek op uitgeoefend.

Maar er zijn tal van dilemma’s. Mijn collega’s legden de hand op het eerste psychiatrische rapport, waarvan de conclusie was dat Breivik lijdt aan schizofrene paranoia en dus niet kan worden veroordeeld.

Dit soort documenten is heel gevoelig. Normaal gesproken zal een verantwoordelijke krant geen bijzonderheden publiceren uit de diagnose van een psychiater. Wij vonden psychiaters bereid om het te analyseren en misschien was dat voor de rechters wel een reden om opdracht te geven tot een nieuw rapport, dat tot tegengestelde conclusies kwam.

We weten dat sommige ouders die een kind op Utøya hebben verloren, heel moeilijk met de massale berichtgeving weten om te gaan. Dat is voor ons een probleem. Wij kunnen de mensen die bij de zaak betrokken zijn niet laten redigeren, of laten beslissen, wat wij in de krant zetten. Tegelijkertijd willen we hun niet het leven moeilijker maken.

De populaire krant Dagbladet heeft in zijn interneteditie tijdens het proces een alternatieve voorpagina. Je kunt een Breivik-vrije editie aanklikken. Dat idee komt van The Guardian, die vorig jaar hetzelfde foefje bij het koninklijke huwelijk had. Voor mij is dat is een vreemde journalistieke keuze. Dit is hier nu de belangrijkste gebeurtenis en daar kan een krant niet aan voorbijgaan.

Wij hebben op een enkele uitzondering na zorgvuldig vermeden het portret van Breivik op de voorpagina te gebruiken, want dat is voor velen bijzonder moeilijk. Ook willen we geen foto’s gebruiken die hij van zichzelf heeft gemaakt, omdat die onderdeel zijn van het toneelstuk dat hij opvoert.

Toen deze week de rechtszaak begon, werd de journalistieke ethiek een paar keer op de proef gesteld. In zijn lange manifest schreef hij de rechtszaal als podium te willen gebruiken. Daarmee staan redacties en rechters voor een dilemma. Deze man zou maar weinig toehoorders trekken als hij op een zeepkist in het Hyde Park zou gaan staan. Nu heeft hij de wereld als publiek. Hoe kunnen we verslag van het proces doen zonder hem de aandacht te geven die hij wil? Dat is waarschijnlijk niet mogelijk. En we doen ons werk niet als we het proces verzuimen te verslaan en te becommentariëren.

In de rechtszaal zijn familieleden van de slachtoffers aanwezig, evenals veel overlevenden. Ze zien dit als onderdeel van het proces dat ze moeten doormaken, bijna als therapie. Sommigen willen wel met de pers praten, anderen kunnen dat niet aan. Iemand had het vernuftige idee om stickers uit te delen met ‘Geen interview a.u.b’. Dat werkt. Wie niet wil praten, wordt met rust gelaten.

Breivik heeft ons hele systeem aangevallen. Hét bewijs dat hij daar niet in is geslaagd, is dat het systeem hem een eerlijk proces geeft.

In samenwerking met justitie en verdediging kunnen Noorse rechters zelf beslissen over de mate van openheid en toegang voor de media. Ze kunnen de hele zaak rechtstreeks laten uitzenden. Ze kunnen hem ook achter gesloten deuren behandelen of elke berichtgeving uit de rechtszaal verbieden. De zaak-Breivik is betrekkelijk open. De eerste dag, toen de aanklacht werd gepresenteerd, is rechtstreeks uitgezonden. Ook de bespreking van de psychiatrische rapporten zal rechtstreeks worden uitgezonden.

Maar Breiviks eigen verklaring mag niet worden uitgezonden, na een uitspraak van het Hooggerechtshof. De meeste media compenseren dit met een ‘live verslag’ op het internet, door journalisten die uitschrijven wat er gezegd wordt en samenvattingen publiceren. Dat is niet bevredigend, want we hadden graag levende beelden en Breiviks eigen stem uitgezonden. Veel van onze lezers klagen dat ze niet genoeg informatie krijgen.

De meeste zenders en internet-sites met tv-verslaggeving zouden met een vertraging hebben uitgezonden, waarbij een redacteur extra kwetsende uitspraken ‘wegpiept’. Op veel redacties was er discussie of we de lezers moesten vertellen dat hij de jonge sociaal-democraten op Utøya met de Hitlerjugend vergeleek. Een aantal uitspraken over de slachtoffers haalt hen echt door de modder en die worden niet gepubliceerd.

Dit zijn moeilijke journalistieke keuzen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of Breivik zich op 22 juli van zijn daden bewust was. De vraag is niet of hij schuldig is, maar of hij de rest van zijn leven in de gevangenis of onder psychiatrische zorg zal doorbrengen. Zijn uitspraken en antwoorden ter zitting zullen de grondslag voor dit oordeel vormen en om echt vertrouwen in het systeem te hebben, moeten we weten hoe hij zich gedraagt.

De complottheorieën krioelen al op het internet, in hetzelfde soort ‘echoputten’ dat Breivik gebruikte om zijn eigen denkbeelden te versterken. Een transparant proces is de beste manier om de basis aan dat soort complotten te ontnemen.

Daarom moeten de media verslag doen uit de rechtszaal, de lezers helpen door deskundigen van buiten in te schakelen, en eigen commentatoren een en ander in perspectief laten plaatsen. Dat is moeilijk en er zijn ook fouten begaan. Maar tot nu toe voldoet de berichtgeving naar mijn mening aan de maatstaven die wij nastreven.

Gunnar Kagge is redacteur bij de krant Aftenposten