Pierre Bonnard = bonheur

Pierre Bonnard: Le Cabinet de toilette au canapé rose, 1908
Pierre Bonnard: Le Cabinet de toilette au canapé rose, 1908 Uit besproken boek

Sam Keller, Ulf Küster e.a.: Pierre Bonnard. Hatje Cantz, 176 blz. € 49,80

Kunstschrift: Moderne Paradijzen. Nabis als peintres-décorateur 1890-1910. Openbaar kunstbezit, 55 blz. €10,25

Het was voorjaar in Parijs. Edouard Vuillard keek uit het raam en daar lag de Place Vintimille aan zijn voeten. Een zee van groen waar de lentezon zijn licht over liet schijnen. In ontelbare veegjes, stippen en weifelende lijnen nam hij de tijd om af te tasten wat zich voor zijn huisdeur voltrok. De winterse hunkering naar nieuw leven ligt er in besloten. Het is een juichen in verf om wat er komen gaat. Picasso noemde zo’n manier van schilderen ‘een potpourri van besluiteloosheid’. Hij hield niet van twijfel en kleine gebaren.

Vuillard maakte in 1911 een vijfdelig kamerscherm van datzelfde park, in opdracht van een Amerikaanse journaliste. Veel Amerikanen trokken in die tijd voor de schilderkunst naar Parijs. Russen trouwens ook. Ze waren dol op het werk van Les Nabis (de Profeten) en de impressionisten. Schilders als Vuillard en zijn vriend Pierre Bonnard, Maurice Denis en Ker-Xavier Roussel hadden zich omstreeks 1890 voorgenomen om met sierlijke schoonheid de wereld te verbeteren. Dat was een groots, vergeefs streven. Geen deprimerende onderwerpen of heroïek, maar decoratieve, zorgeloze kunst moest er gemaakt worden. Over het alledaagse straatrumoer, de natuur, over het leven thuis waar oosterse tapijten en bloemrijk behang voor behaaglijkheid en intimiteit zorgden. En daarbij hoorden ook kamerschermen, wandschilderingen, waaiers: de wereld als een lust voor het oog.

De lente van Vuillard (1868-1940) is maar één van de tientallen Nabis-reprodukties in de nieuwe aflevering van Kunstschrift. Het blad duikt dit keer in de decors die de Nabis maakten, in het belang van behang destijds, in de verzamellust van de Rus Ivan Morozov, rijk geworden in de textielindustrie. Hij liet de muren van zijn Moskouse palazzo decoreren met mierzoete schilderingen van Maurice Denis over het liefdessprookje van Amor en Psyche en met een mediterraan park plus seizoenswisselingen van Pierre Bonnard (1867-1947).

Net als Vuillard blonk Bonnard uit in het schilderen van tevredenheid. In een mooi boek – onlangs uitgekomen bij een overzicht met ruim 60 schilderijen in de Fondation Beyeler bij Bazel (t/m 13/5) – staan zijn stadsgezichten, interieurs, tuinen, badkamers en een aantal litho’s, affiches onder meer, die ‘fresco’s voor het volk’ heetten. Nabis-prenten dus, waar het Van Gogh Museum deze zomer een expositie aan wijdt.

Bonnard was hypersensitief, schuw, bleef dertig jaar bij dezelfde vrouw, reisde wel, maar trok zich liever terug in zijn Normandische huis bij het Giverny van Claude Monet, en later in een dorp, hoog in de heuvels van de Côte d’Azur, samen met zijn ziekelijke Marthe de Méligny. Keer op keer portretteerde hij haar, naakt, op bed, maar vooral in bad, de enige luxe die ze voor zichzelf opeiste. Niet dat hij zijn ezel naast de kuip neerpootte, hij liep keer op keer heen en weer, van Marthe naar zijn nabije atelier. Zou Marthe opstaan uit de dood, je zou haar niet herkennen, zo vaag als haar gezicht bleef, zo discreet als haar man was.

De ruime aandacht voor de badscènes hebben Bonnards tuinen en landschappen nogal naar de achtergrond verdreven. Maar ze doen in geluksgevoel – Bonnard = bonheur, schreef de Franse historicus Jean Clair – niet onder voor die van Vuillard. Er lagen alleen maar potloodschetsen aan ten grondslag. Schilderen deed Bonnard op zijn atelier, nooit daar buiten. En dat is bijna ongeloofwaardig, want wat groeit en bloeit op het linnen wemelt van leven. Er is geen blad aan de boom of het lijkt te trillen, alsof een licht zenuwslopende mistral Bonnards hand dirigeerde. Bomen en struiken staan in laaiende kleuren, verschuilen zich en verdringen zich – dat alles in rusteloze, tintelende verflikken. De velden op de voorgrond schikken zich in patronen die eigenlijk geen patronen mogen heten, omdat er bij het schilderen geen automatisme aan te pas kwam.

De jurist Bonnard werd ‘Le Japonard’ genoemd vanwege zijn liefde voor Japanse houtsneden, met karakteristieken als fragmentarische uitsneden, gestileerde bloemen en planten, en de onuitputtelijke variëteit aan esthetische kimono-stoffen. Een kolossale tentoonstelling in Parijs had die Japanse grafiek destijds binnen bereik gebracht. Gauguin, Van Gogh en Vuillard: ze namen er allemaal wat van mee. Vooral Bonnard dus, met zijn rijk gestoffeerde interieurs, vol krioelend behang, geblokte tafelkleden en bonte foulards. Zijn kamers zijn behaaglijk, lichtovergoten, rustig en ruim, dankzij het raam met uitzicht op het eeuwige, mediterrane groen en dankzij de spiegels in huis die elk seizoen naar binnen haalden.

Bonnard hoorde toen allang niet meer tot de Nabis, zijn vakbroeders met hun paradijselijke visie. Toch liet ook hij een eigen Arcadië na. Want in elk van zijn schilderijen wil je wonen. Er is stilte, geborgenheid en zoveel behoedzame aandacht voor het kleine dat het, eenmaal geschilderd, op wonderbaarlijke wijze steeds tot iets groots was uitgegroeid. Parijs hield de oudere Bonnard ook voor gezien. Tegen zoveel dynamiek was zijn zenuwgestel niet tegen opgewassen. Vijf jaar na Marthe overleed hij thuis, aan de Côte.

‘Schoonheid in veelvoud’ loopt tot 23/9 in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Een keuze uit de eigen 1300 Franse prenten uit de periode 1890-1905.