‘Ik krijg makkelijker hulp dan mijn vader’

Aefke ten Hagen (36) heeft een bipolaire stoornis. Ze kan dankzij hulp eindelijk een normaal leven leiden. „Je gaat niet voor je lol naar de psych.”

Aefke ten Hagen
Aefke ten Hagen Foto Thomas Bokeloh

‘Voor mijn behandeling had ik een heel chaotisch leven. Ik had nooit een lange relatie”, zegt de 36-jarige Aefke ten Hagen. „Ik had een rustig iemand nodig, maar die zocht ik niet op. Daar had ik geen belangstelling voor. Ik kon ook geen baan vasthouden. Nu heb ik al langere tijd een vriend en werk ik al zes jaar op dezelfde plek. Ongelooflijk.”

Aefke ten Hagen draagt een knalgeel vest, een oranje broek en lichtblauwe laarzen. Soms lijdt ze aan ernstige depressieve buien, maar vandaag voelt ze zich goed.

Zeven jaar geleden kwam ze erachter dat ze een bipolaire stoornis heeft, ook wel een manische depressie genoemd. Ze zal de rest van haar leven moeten vertrouwen op de geestelijke gezondheidszorg en medicijnen die haar wisselende stemmingen onderdrukken.

Dat patiënten nu een eigen bijdrage van 200 euro moeten betalen voor deze specialistische zorg, vindt ze ‘discriminerend’. Voor lichamelijke aandoeningen hoeft dat niet. „Zo ontstaat het beeld dat onze problemen aanstellerij zijn. Het is toch erg dat de minister zegt dat wij onze problemen maar zelf uit moeten vogelen?”

Pas in 2005 stelde een psychotherapeut de diagnose. Toen vielen allerlei puzzelstukjes op hun plaats: haar vader kampt met dezelfde problemen, alleen had niemand ooit een diagnose gesteld. „Het taboe is er nu af. Ik kan veel makkelijker hulp vragen dan mijn ouders.”

In 2010 schreef ze onder het pseudoniem Carice de Wildt het boek Koosje. Daarin beschrijft ze wat het betekent om bipolair te zijn. Hoe ze elke dag moet zoeken naar de goede balans. Door de juiste keuzes te maken. „Als ik me heel vrolijk en hyper voel, moet ik soms kiezen om thuis te blijven. En als ik depressief ben, moet ik juist gaan sporten terwijl ik daar helemaal geen zin in heb. Anders schiet ik door. Dat heb ik door ervaring en van mijn behandelaars geleerd.”

Aefke komt gemiddeld nog maar een keer in de drie maanden bij haar psychiater, voor haar medicijnen. Daarnaast spreekt ze een keer in de maand met een psychiatrisch verpleegkundige, omdat ze vaak geen raad weet met bepaalde situaties. Zoals laatst toen ze op werk een nieuwe functie kreeg. „Dat vond ik heel heftig. Ik reageer daar anders op dan de meeste mensen.”

Zelf kan ze de eigen bijdrage best betalen. Ze heeft met haar universitaire opleiding een goedbetaalde baan. Haar vriend werkt ook. „Ik heb deze zorg echt nodig, ik wil mijn baan en vriend niet meer kwijt.”

Door de bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg vraagt Aefke wel minder snel om hulp. „Er liggen ook mensen op straat, denk ik dan. Die hebben dringender hulp nodig.” Veel patiënten kunnen de eigen bijdrage niet opbrengen, merkt Aefke. „Je gaat niet voor je lol naar de psych. De meeste patiënten zijn kwetsbaar, geen rijke vrouwen die hun probleempjes bij Dr. Rossi leggen.”