Duelleren om bijna niks

Graf Nikolaus Banffy (Miklos Banffy), ungarischer Minister des Äußeren. - 01.01.1922-31.12.1922 01.01.1922-31.12.1922
Graf Nikolaus Banffy (Miklos Banffy), ungarischer Minister des Äußeren. - 01.01.1922-31.12.1922 01.01.1922-31.12.1922 ullstein bild

Miklós Bánffy: Geteld, geteld. Uit het Hongaars vertaald door Rebekka Hermán Mostert. Atlas, 671 blz. € 19,95

Het is wel vaker voorgekomen in de Hongaarse geschiedenis dat aristocraten, eigenlijk op anachronistische wijze, een voortrekkersrol op zich namen en het land een flinke duw gaven richting moderniteit. Zo is bijvoorbeeld de Academie van Wetenschappen gesticht op initiatief van graaf István Széchenyi, die in 1825 zijn jaarinkomen aanbood voor dit doel; hij liet hiernaast ook de eerste spoorlijn van het land aanleggen, pleitte voor het belang van vaarwegen en zorgde voor de eerste vaste verbinding over de Donau tussen Buda en Pest.

De radicaalste adellijke hervormer was zonder twijfel graaf Mihály Károlyi, die na het einde van de Eerste Wereldoorlog, in november 1918, de republiek uitriep en de landhervorming begon door zijn eigen landgoederen onder de boeren te verdelen.

Graaf Miklós Bánffy (1873-1950) – een achterneef van Károlyi – hoort ook bij deze edellieden van formaat. Bánffy´s meest geliefde kasteel te Bonchida, in Transsylvanië, is vereeuwigd in de slotformule van menig Hongaars volkssprookje: ‘het hele volk werd uitgenodigd op de bruiloft, waar de wijn vloeide van Hencida tot Boncida, en ze leefden nog lang en gelukkig’. Behalve puissant rjik, was hij veelzijdig en bijzonder begaafd. Op verschillende gebieden nam hij zijn verantwoordelijkheid. Hij zat uiteraard in de politiek: parlementariër, vervolgens regeringcommissaris, verantwoordelijk voor de plechtigheden bij de kroning van de laatste Habsburgkoning, eind 1916.

In die laatste hoedanigheid zorgde de pacifist Bánffy voor opschudding; de feestelijke parade werd afgesloten door een optocht van oorlogsinvaliden: in grijze vodden gehulde soldaten die een been of arm misten, blinden, door hun kameraden geleid. Na de Eerste Wereldoorlog was hij even minister van Buitenlandse Zaken, maar in 1926 keerde hij terug naar het inmiddels Roemeense Transsylvanië, en nam de Roemeense nationaliteit aan. Vóór die tijd was hij nog intendant van het Operahuis van Boedapest, waar hij er niet alleen voor zorgde dat Bartóks ballet De houten prins werd opgevoerd, maar hij ontwierp er zelfs het decor voor. (Ook als tekenaar en graficus blonk Bánffy uit.)

Dat hij ook schrijver was, raakte in de jaren van het communisme snel in de vergetelheid. Zijn belangrijkste werk, de Transsylvaanse trilogie, beleefde recentelijk opnieuw succes in Hongarije, hetgeen maar ten dele een gevolg kan zijn van het huidige sentimentele verlangen naar een roemrijk verleden. Want Bánffy’s werk is een waarschuwing. Toen de Tweede Wereldoorlog al aan de gang was, en Transsylvanië opnieuw (even) deel van Hongarije was, zei hij er zelf over: ‘Ik schreef de Transsylvaanse trilogie […] omdat ik met toenemende bezorgdheid opmerkte dat ons volk weliswaar door een verschrikkelijke catastrofe was getroffen, maar dat niemand de zonden en tekortkomingen wilde erkennen die tot deze ramp hadden geleid. […] Er was niemand die zei: “Langs deze weg moet je niet meer gaan!” ’

Geteld, geteld is het eerste deel van de trilogie, en het eerste werk dat Bánffy onder zijn eigen naam publiceerde, in 1934. De hoofdpersoon, graaf Bálint Abády, lijkt in menig opzicht op zijn schepper: een verlichte heer, volksvertegenwoordiger, intelligent, consciëntieus, vooruitstrevend. Anders dan zijn omgeving – van boer tot aristocraat – is hij overtuigd van het nut van een coöperatieve kredietvereniging, en hij is verliefd op een getrouwde vrouw.

Politiek en liefde, dit zijn de twee hoofdsporen, waarlangs het verhaal zich ontwikkelt. We leven rond 1905, er zijn tal van historische gebeurtenissen en locaties; ook de personages zijn op echte personen geënt.

De lezer wordt meegevoerd in de wereld van de aristocratie, waarin de dames deelnemen aan bals, verliefd worden en in intriges verstrikt raken, terwijl de heren zich bezighouden met de jacht, kaarten en bruidsschatten – en uiteraard met de politiek, waar de partijen elkaar fanatiek bestrijden om uiterlijkheden en futiliteiten. Ze duelleren om een verkeerde klemtoon, maar hebben geen oog voor de werkelijke situatie van hun land of hun eigen situatie in een rijk met zoveel verschillende volkeren, rangen en standen. In die op zijn best paternalistische maatschappij houden nederigheid en neerbuigendheid elkaar in een precair evenwicht.

Bánffy’s geheel eigen toon berust op een eclectische stijl, gedragen, maar geenszins stoffig. Een stijl die in de voortreffelijke vertaling van Rebekka Hermán Mostert zijn bijzondere sfeer behoudt. Op onnavolgbare wijze rijgt Bánffy gevatte dialogen, minutieuze natuurbeschrijvingen, met psychologisch inzicht en medegevoel beschreven romantische liefdesperikelen of naturalistische jachtscènes aaneen.

Geteld, geteld is te lezen als kasteelroman of liefdesverhaal, maar ook als sociologische studie of historische roman. Wat mij betreft zijn de observaties van politieke kwesties het interessantst: ze zijn niet alleen in de historische context verhelderend, maar blijven tot in onze tijd relevant. Een waarschuwing.