Via bankentaks de bonus aanpakken

De banken krijgen hun eigen belasting. Die moet 300 miljoen opleveren. Prima, vindt de Kamer. Als het maar niet ten koste gaat van de toch al magere kredietverlening.

Een heel vergaande maatregel. Zo noemde staatssecretaris Frans Weekers (Financiën, VVD) gisteren de bankenbelasting die hij vanaf 1 juli wil invoeren. Normaal bij zo’n vergaande maatregel is de Tweede Kamer er volgens hem snel bij om uitzonderingen te bedingen, om de impact te beperken. En nu? „In dit geval vragen Kamerleden of er niet wat meer kan. Of de belasting niet verdrievoudigd kan worden”.

Het tekent de sfeer in Den Haag. De banken moeten boeten, want mede door hen is de kredietcrisis veroorzaakt waar we nu nog de gevolgen van ondervinden. Via een speciale bankenbelasting kunnen de kosten worden vergoed van de redding van banken. Of in de woorden van Weekers: „Door middel van de bankenbelasting wordt de bankensector een bijdrage gevraagd, namelijk door de impliciete overheidsgarantie te beprijzen.”

De Kamer wil inderdaad een bijdrage van de banken, maar tegelijkertijd schrikt het parlement terug voor de gevolgen. Want het zal toch niet zo zijn dat banken als reactie op die belasting hun kredietverlening (nog meer) gaan terugschroeven? En de spaarder zal toch niet boeten doordat hij een lagere rente krijgt?

Die garanties kon Weekers niet geven. Hij kan moeilijk de instellingen opleggen die belasting te betalen uit het potje waaruit normaal de bonussen of dividend betaald wordt. „Ik kan toch niet al die banken afgaan?” Wel gaf hij aan de gevolgen van de belasting met de toezichthouder te willen „monitoren”. Probleem is dat de bankenbelasting, die 300 miljoen euro per jaar moet opleveren, niet de enige maatregel is die de instellingen voor hun kiezen krijgen. Zo is internationaal bepaald dat de kapitaalseisen omhoog moeten, ligt een belasting op financiële transacties op de loer en moeten de banken zelf het depositogarantiestelsel (garantie op spaargeld) gaan financieren. Hoe haal je de effecten van al die maatregelen uit elkaar?

Dat de bankenbelasting – een heffing op kortlopende (0,022 procent) en langlopende (0,011) leningen – gevolgen heeft voor de kredietverlening is duidelijk. De Nederlandsche Bank verwacht 500 miljoen euro minder krediet, wat gelijk staat aan 0,5 promille op het totaal. Het bedrijfsleven (VNO-NCW) vreest voor een impact van zelfs 3 miljard. Weekers denkt dat het wel zal loslopen. „En als de belasting afgewenteld wordt op de spaarder, dan stemt die wel met zijn voeten.”

Een deel van de oppositie vindt de opbrengst van 300 miljoen te weinig en pleitte voor een verdrievoudiging. Ze zou liever zien dat niet alleen de acht grootste banken worden aangeslagen, maar ook de kleinere. Maar Weekers vindt het bedrag internationaal gezien in balans. „Als ik naar de landen om ons heen kijk, vragen wij niks te veel. Een verdrievoudiging of meer dan dat vind ik erg gortig.”

Ook met de wens van met name CDA’er Pieter Omtzigt had de staatssecretaris problemen. Een „onverstandig amendement” noemde hij het zelfs. Omtzigt stelde samen met PvdA en PVV voor de belasting met 5 procent te verhogen als een bestuurder van de bank een hogere bonus krijgt dan een kwart van zijn vaste salaris. In het huidige wetsvoorstel gaat die verhoging pas in als de bonus het vaste salaris overstijgt. Nederland behoort volgens Weekers met tal van maatregelen „tot de koplopers” in het aanpakken van de bonussen. „Het zou de Kamer en de heer Omtzigt en de CDA-fractie in het bijzonder, sieren als zij deze maatregelen een kans geven.”

Maar het pleidooi van Weekers om de beloningsdiscussie niet nog verder te koppelen aan de bankenbelasting vond weinig gehoor. Omtzigt was alleen bereid de banken extra tijd te geven. Twee jaar. De bestuurder die dan nog met zijn bonus de grens van 25 procent passeert, zadelt zijn bank op met een extra belasting.