'Pensioenfonds moet zijn deelnemers beter informeren'

Er is grote onrust over het pensioenstelsel nu het beeld van een zorgeloze oude dag niet blijkt te kloppen. Maar zelf sparen voor later is nog altijd veel duurder.

De pensioenbranche heeft de afgelopen jaren het draagvlak onder het collectieve pensioenstelsel ondermijnd. Ontoereikende communicatie met de pensioendeelnemers is een belangrijke aanjager geweest voor het afbrokkelen van de solidariteitsgedachte. De boodschap dat een koopkrachtbestendig pensioen niet meer mogelijk was, kwam voor veel mensen uit de lucht vallen. De informatie die pensioenfondsen daarna verstrekten, heeft niet geleid tot meer inzicht, maar tot „pensioenbewusteloosheid” en een gevoel van onzekerheid en afkeer.

Dat stelt Onno Steenbeek, hoogleraar Risicobeheer van de Pensioenfondsen aan de Erasmus School of Economics vanmiddag in zijn oratie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Steenbeek is daarnaast ook directeur bij de APG Algemene Pensioengroep, de uitvoeringsorganisatie van onder meer de pensioenfondsen ABP en die van de Bouw. Volgens Steenbeek zijn pensioenfondsen, ook onder druk van financiële toezichthouders, meer informatie gaan verstrekken. De boodschap was: pensioenfondsen zijn risicovol en er bestaan geen garanties. „De deelnemers voelen zich voor de gek gehouden”, aldus Steenbeek. „Pensioenfondsen hebben aan hun informatieplicht voldaan, en juridische procedures maken dus geen kans meer. Maar bij velen blijft het beeld hangen dat er iets grondig mis is. Vooral jongere generaties hebben dat gevoel.”

Hoe had de pensioenbranche dan wel moeten communiceren?

„Nederlanders dachten dat ze zich geen zorgen hoefden te maken over hun pensioen. Maar plotseling kwam de branche met een hele andere boodschap: ‘U loopt wel degelijk risico, we kunnen voorlopig niet indexeren en U heeft de kleine lettertjes in de contracten niet gelezen’. Dat heeft tot veel onbegrip geleid. Mensen wilden weten waarom er niet meer geïndexeerd werd en wat er in hemelsnaam zo verschrikkelijk fout was gegaan. En wiens schuld dat eigenlijk was. En dat terwijl we in Nederland nog steeds een van de beste pensioenstelsels van de wereld hebben. Dat blijkt uit allerlei internationale vergelijkingen. Niemand komt na zijn pensionering onder de armoedegrens terecht. De belangrijkste kwetsbaarheid zit in de duurzaamheid van ons pensioenstelsel: kunnen we dit op de lange termijn nog wel betalen?”

Door die paniekberichtgeving is het principe van collectiviteit in het pensioenstelsel onder druk komen te staan. Is dat terecht?

„Het beeld van oneerlijkheid en tegengestelde belangen voert nu de boventoon. Zelfs als uit onderzoek van het Centraal Planbureau straks zal blijken dat collectieve pensioenregelingen op een eerlijke manier kunnen worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, ben ik bang dat het beeld van oneerlijkheid niet zo maar zal worden weg genomen. Dan brokkelt het draagvlak af en gaan de sociale partners aan de onderhandelingstafel de druk van de achterban voelen. Omdat de onzekerheid zo groot is. Het leidt tot een roep om het pensioen zelf te kunnen regelen. Bij pensioenverzekeraars, bijvoorbeeld. Maar collectieve arrangementen zijn uiteindelijk op alle fronten beter. Daar is de koopkracht de afgelopen drie jaar weliswaar gedaald, maar de eenzame pensioenspaarders zagen hun pensioeninkomen tot 50 procent lager uitvallen dan kort tevoren verwacht. De pensioenverzekeraars communiceren handiger over hun producten. En ze garanderen een vast bedrag. Maar uiteindelijk is dat bedrag lager dan vooraf beloofd en zijn de kosten die doorberekend worden, een stuk hoger. Wie inlegt bij een pensioenfonds, betaalt gemiddeld zo’n 4 euro aan kosten op elke 100 euro inleg. Bij pensioenverzekeraars is dat zo’n 25 euro op iedere 100 euro.”

Is het voor de pensioenbranche nog mogelijk om de beeldvorming over het collectieve stelsel te verbeteren?

„Jazeker. Maar ik pleit tegelijkertijd ook voor maatwerk binnen het collectieve stelsel. Pensioenfondsen moeten hun deelnemers dat maatwerk ook kunnen aanbieden. Ze moeten tegemoet komen aan individuele wensen; de gemiddelde pensioendeelnemer bestaat niet. De oudste deelnemer in de bestanden van APG is onlangs 110 geworden en krijgt sinds 1967 pensioen. Er is een deelnemer die tien keer is gescheiden en onlangs weer getrouwd. Zes mensen zijn vier keer hertrouwd met dezelfde partner. Het zijn extreme voorbeelden, maar in de praktijk is het voor alle deelnemers moeilijk om hun levensloop te voorspellen. Laat staan dat zij weten hoeveel geld en zekerheid zij na hun pensionering nodig hebben. Alleen maar waarschuwen dat het allemaal minder wordt, werkt dan niet.”

Hoe kunnen pensioenfondsen dat maatwerk dan leveren?

„Door mensen erop te wijzen dat ze de hoogte van hun pensioenuitkering ook deels zelf in de hand hebben. Wie bereid is om een jaar langer door te werken, krijgt daarna een pensioenuitkering die zéker 7 procent hoger ligt, zo blijkt uit berekeningen van APG. Bij een groot aantal fondsen geven deelnemers nu al de mogelijkheid om te zeggen wanneer ze tussen hun 60ste en 70ste precies met pensioen willen. Mensen moeten zich dan wel op tijd afvragen of ze fysiek en mentaal in staat zijn om langer door te werken. En de werkgever moet wel passend werk kunnen bieden. Er wordt in de pensioenbranche ook nagedacht over de mogelijkheden om indexatie van de pensioenopbouw per leeftijdscategorie te laten verschillen. Jongeren kunnen dan hogere risico’s nemen dan ouderen.”