Ode aan ingetogen heldin

Terence Davies maakte een „radicale bewerking” van het toneelstuk The Deep Blue Sea.

Peter de Bruijn

Filmrecensent

Terence Davies: „Toen het verzoek kwam of ik een film wilde maken naar een toneelstuk van Terence Rattigan, ben ik zijn complete werk gaan lezen. In The Deep Blue Sea vond ik de meeste aanknopingspunten, al zag ik ook meteen het probleem dat Rattigan niet over working class-personages kan schrijven, omdat hij zelf afkomstig was uit een zeer bevoorrecht milieu.

„Het was duidelijk dat hij de wereld van het armoedige pension, waarin een groot deel van het verhaal zich afspeelt, niet uit eigen ervaring kende. Daarom heb ik voor een radicale bewerking gekozen. Vanaf het moment dat ik besefte dat het verhaal gaat over verschillende vormen van onbeantwoorde liefde, begon ik er greep op te krijgen. Dat is een tragisch en tegelijk heel menselijk onderwerp, dat iedereen van nabij kent. Maar alle uiteenzettingen uit het toneelstuk heb ik weggelaten. Ik vertel het verhaal nu volledig vanuit het perspectief van de vrouwelijke hoofdpersoon, Hester, die in het stuk in de eerste akte nauwelijks te zien is.

„Ik wilde het verhaal ook niet lineair vertellen zoals Rattigan doet, maar juist associatief en cyclisch. Zo werkt de herinnering nu eenmaal: met associaties, vanuit stemmingen die herinneringen aan vergelijkbare emoties oproepen. Veel mensen die het stuk hoog hebben zitten, vinden mijn film vreselijk. Maar om simpelweg het toneelstuk te verfilmen, zoals Anatole Litvak al eens heeft gedaan in 1955, beschouw ik als onnatuurlijk. Dan krijg je een verfilmd toneelstuk, geen film.

„Toen ik opgroeide was er de laatste grote bloei van wat toen ‘women’s pictures’ heette. Dat waren melodrama’s die altijd portretten bevatten van hele sterke vrouwen. Denk ook aan de grote rollen die Bette Davis en Joan Crawford al eerder hebben gespeeld. Voor mij zijn zulke sterke vrouwenrollen volstrekt vanzelfsprekend, omdat ik ben opgegroeid met die films. En ik ben natuurlijk opgegroeid met mijn moeder en mijn zusters; ook heel sterke vrouwen. Dat is van groot belang. Anders had ik de film niet op deze manier kunnen maken.

„Soms lijk ik gedoemd om me als filmmaker steeds weer met deze periode bezig te houden. Ik ben opgegroeid in de jaren vijftig en ik ken die wereld van heel nabij. Dat maakt veel verschil. Engeland was bankroet na de oorlog, alles zag er troosteloos uit. De wereld had nauwelijks kleur. Maar in die grauwheid kon ineens een primaire kleur opduiken, die diepe indruk maakte.

„Ik weet ook precies wat de sociale mores waren in die tijd. Ik weet wanneer Hester tegen de mores van haar tijd ingaat. Zij gaat weg bij haar man, als ze voor het eerst de seksuele passie ontdekt in haar leven. Dat was toentertijd iets ongehoords.

„Hester heeft aan het einde van de film een stoïcijnse levenshouding. Haar toekomst ziet er niet rooskleurig uit, maar toch gaat ze door. Soms is dat genoeg. Dat heeft een zekere, bescheiden heroïek. Die stoïcijnse levenshouding was wijdverbreid in de jaren vijftig. Dat zijn we nu volledig kwijtgeraakt in Engeland. Er zijn talloze zaken uit mijn jeugd waar ik zonder weemoed aan terugdenk, zoals de afgrijselijke kastenmaatschappij die Engeland toen was, waar we nog steeds niet helemaal vanaf zijn, niet zolang die afgrijselijke koninklijke familie er nog zit. Maar ik kan wel met weemoed terugdenken aan het stoïcisme van die tijd, en aan het vanzelfsprekende gevoel van saamhorigheid dat er bestond. Niemand had veel, maar wat er was deelde iedereen met elkaar.”