'Bent u nou een mecenas? 'Ik denk het wel'

Daar staat Truus Bronkhorst, danseres van tegen de zestig, te midden van 16 dansstudenten. Zij is tanig en sterk en stralend. De jonkies zijn zacht en sterk en stralend. Alle 17 zijn dansers om op te vreten. Niemand doet alsof er geen leeftijdsverschil bestaat. Zou ook niet kunnen, Truus’ blote balletjurkje is onbarmhartig. Maar zie haar heen en weer gedonderd worden door een jonge danser en je voelt hoe er genoten wordt van elkaars kracht.

Bronkhorsts voorstelling heet Seule. ‘Alleen’. Dat is niet zomaar een titel. Ik hoorde dat ze recentelijk werd verlaten door haar geliefde en ik weet hoe lang zij samen waren. Ik kan niet anders dan echo’s van dat drama onderscheiden in die tierende choreografieën.

Op zijn nieuwe cd Old ideas overweegt de oude Leonard Cohen zijn voorbije liefdes. I know you have to hate me/ But could you hate me less? zingt hij in Anyhow. Als je oud bent is de liefdespijn niet minder dan als je jong bent. In Seule wordt dat verdriet uitgejankt, de jonge dansers doen het met een confronterend sadomasochistisch groepsballet, Bronkhorst doet het solo. Maak een versje van je ellende en het is tenminste nog ergens goed voor.

Jong en oud, schouder aan schouder, ik zie het ook bij DordtYart, de expositie in de oude Biesboschhal op de reep grond bij Dordrecht die Staart heet. 17 kunstenaars gaan daar hun goddelijke gang met vaak enorme installaties, op uitnodiging van een mecenassen-koppel, kunsthistoricus Lyda Vollebregt en Arie-Jaap Warnaar, directeur van reïntegratiebedrijf DordtMij. En denk maar niet dat die op iemands leeftijd letten. De kunstenaars zelf ook niet. Het enige wat telt, is wat iemand maakt – of hij nu grand old man Theo Jansen is (die van die fameuze ‘strandbeesten’), of Xandra van der Eijk, net van de kunstacademie.

Er is veel goeie kunst te zien hier, maar voor het werk van Xandra val ik als een blok. Het heet Momentum en het is beeldende kunst en performance ineen: trage pigmentdruppels tekenen in drie kleuren kringen op een wateroppervlak en stuwen elkaar zoetjesaan op. Het water is zo verdikt dat elke verfdruppel een deukje maakt. Het druppelen en kringen trekken gaat vier dagen door, vertelt Van der Eijk, en zij dus ook, want de installatie vraagt zorg. Na die vier dagen is het water verzadigd en zinken de kleuren. Momentum is ijl. Praat erover en het idee vervliegt. Van der Eijk hoopt dat ze er het verloop van de tijd mee betrapt. Wat levert dat dan op? „Een bitterzoet gevoel”, zegt ze. Inderdaad.

DordtYart is Van der Eijks debuut. Lyda Vollebregt sprak haar aan bij haar eindexamenpresentatie „en toen kwam ik in die gave industriële hal terecht”. Ze heeft grote waardering voor Vollebregt, die ze hard ziet werken. Ze hoorde Arie-Jaap Warnaar tegen haar zeggen: „Heb je vandaag al genoten?”

Ik vraag dat ook maar even. Ja, beaamt Lyda Vollebregt, ze geniet. Waarvan? „Dat we die aandacht aan deze kunstenaars kunnen geven.”

Zijn zij en Warnaar nou mecenassen? „Ik denk het wel”, zegt ze. Sinds wanneer? „Sinds ik vijf jaar geleden in het Rotterdamse Heijplaat iets monumentaals zag. Een ‘Dome’ van de Schotse kunstenaar Aeneas Wilder.” Ze vroeg of hij eens langs wilde komen. Dat deed hij, en in een opwelling gaf ze hem een opdracht voor het stuk grond dat zij en Warnaar bezitten in de Hoeksche Waard. „Toen had ik de smaak te pakken.”

Ze zijn 44 jaar samen. „Ik maakte altijd kunstreizen, met een vriendin.” Maar: „Arie-Jaap deed jaloers, daarom nam ik hem eens mee. Naar Italië, naar de villa’s van Palladio en vervolgens naar Venetië. Toen ging-ie om. Dat is alweer twintig jaar geleden.”

Verzamelaars zijn ze niet, ze willen de kunstwerken niet hebben. Wat willen ze dan wel? „Veel publiek.” En dat dat publiek terugkomt, voegt ze toe.

Vollebregt inviteert kunstenaars die ze goed vindt. Hoe weet ze dat ze iets goed vindt? Ze houdt van „grote ruimtelijke kunst”. Van technisch vernuft, van vakmanschap. „Mijn keuze wordt ingegeven door de Biesboschhal, die vráágt om deze kunstwerken.” Soms staan de tranen in haar ogen, dan denkt ze: „Dat er iemand bestaat die zoiets kan.”

Dat herken ik. Pathetisch? Dan maar pathetisch.