Opinie

Letten ze in het Catshuis op de factor kapitaal?

Ondernemers zijn niet langer tevreden met het kabinet-Rutte, zo bleek vanmorgen uit een onderzoek van het Financieele Dagblad. Dat kun je uitzoeken met een enquête, die overigens de moeite waard is, maar het kan ook met een cijfer dat al lang beschikbaar is: de arbeidsinkomensquote.

De term klinkt net zo archaïsch als het Polygoonjournaal, en veel aandacht is er doorgaans niet voor. Maar schijn bedriegt: vandaag besteedt het Internationaal Monetair Fonds (IMF) er in de nieuwe World Economic Outlook aandacht aan.

De arbeidsinkomensquote (aiq) geeft het aandeel van lonen (en lonen van zelfstandigen) weer in het nationaal inkomen. De rest is, grosso modo, de winst van het bedrijfsleven, de winstquote. De verhouding tussen deze twee geeft dus aan hoeveel van de koek toevalt aan werkgevers, en hoeveel aan werknemers.

De aiq is overal in het Westen gedaald sinds het begin van de jaren tachtig, constateert het IMF. Dat heeft verschillende oorzaken. Zo is er de ‘academische premie’, die er voor heeft gezorgd dat hoogopgeleiden hun inkomen relatief hebben zien stijgen, terwijl de massa van werknemers achterbleef. Daardoor is de groei van de totale loonsom gedrukt. Er is het ‘superstar’-effect, waarbij de 1 procent van meest verdienenden hun inkomen buitenproportioneel heeft zien stijgen, met hetzelfde gevolg als dat van de academische premie. En er is de uitholling van de middenklasse, door technologische veranderingen en de globalisering.

De eerste twee van deze drie redenen lijken meer Amerikaans dan Europees. Dat het IMF het verloop van de arbeidsinkomensquote ziet als een maatstaf voor inkomensongelijkheid, is niet helemaal zuiver. Maar het is wél een indicatie. De structurele daling van de aiq sinds het begin van de jaren tachtig geeft aan, dat er steeds meer van het nationaal inkomen voor het bedrijfsleven is overgebleven.

Er is alleen één maar: in tijden van recessie vangt de winstgevendheid van bedrijven de eerste klappen op. De aiq, het werknemersdeel dus, stijgt dan. Dat wordt vervolgens weer goedgemaakt tijdens het herstel. Maar telkens stabiliseerde de aiq daarna op een iets lager niveau dan voorheen.

Het Centraal Planbureau houdt voor Nederland het verloop van de aiq trouw bij. In 1970 bedroeg de aiq hier slechts 77,8 procent. Na de oliecrisis van 1973 en het kabinet-Den Uyl met zijn ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’ steeg het cijfer sterk naar 87,4, om tijdens het kabinet-Van Agt/Wiegel op maar liefst 88,3 in 1979 te komen. Geen wonder dat ondernemers zich ongerust meldden.

Daarna begon de grote loonmatiging, waarbij de aiq uiteindelijk terugzakte tot 77,4 in 2007. Dat was onder het niveau van 1970, hetgeen de restauratie van de oude verhouding tussen arbeid en kapitaal goed weergaf.

En nu? Daar zit hem de kneep. In 2012, zo stelt het CPB in zijn recente prognose, stijgt de aiq naar 81,5. Dat is het hoogste in zeventien jaar, en dus verdienen ondernemers het minste in zeventien jaar. Geen wonder dat ze ontevreden zijn.

Het zal er nu van af hangen hoe de aiq zich in de komende jaren ontwikkelt. Het CPB tekent een logische daling in naar 79 in 2015, die hoort bij een verwacht economisch herstel. Maar die prognose is weinig waard als het kabinet (naar nu verluidt) 15 miljard euro aan bezuinigingen plant. Want hoe en waar vallen die? Niet alleen het kapitaal moet zich zorgen maken, ook de arbeid zelf.

Want wie weinig winst maakt, investeert ook weinig. En wie weinig investeert creëert geen werkgelegenheid. Philip Bloemendal had het kunnen zeggen. Jip en Janneke trouwens ook.