Critici riskeren een pak slaag

De Sri-Lankese regering van president Rajapaksa regeert na de zege in de strijd met de Tamils met harde hand. En kritiek is niet welkom.

Bijna dagelijks zijn er nieuwe meldingen van ontvoeringen en intimidatie in Sri Lanka. De slachtoffers zijn bijna altijd tegenstanders of critici van de nationalistische regering van president Mahinda Rajapaksa.

Van kritiek is de regering, die door de etnische meerderheid van de Sinhalezen wordt gedomineerd, niet gediend. Op 6 april werd Dimuthu Attygalle, leider van de kleine linkse Frontline Socialist Party (FSP), ontvoerd, nadat ze zich kritisch had uitgelaten over het gebrek aan respect voor de mensenrechten.

Vier dagen later kon ze vertellen dat ze door gewapende mannen was meegenomen, geblinddoekt en geboeid, waarna pittige verhoren waren gevolgd over haar politieke activiteiten. Daarna was ze vrijgelaten. Zat de regering er achter? Vermoedelijk wel maar bewijzen kon ze het niet.

Ook een andere FSP-leider verdween op 7 april om enkele dagen later weer op te duiken. Beiden kwamen er nog genadig vanaf. Twee andere activisten van hun partij zijn al sinds december vermist.

Minister van Informatie Mervyn Silva dreigde vorige maand een reeks kritische journalisten en mensenrechtenactivisten „de botten te breken”. Hij duidde hen aan als „verraders”. Tevreden noemde Silva het geval van een journalist die na een stevige aframmeling de benen had genomen naar het buitenland.

Rajapaksa wist de lang slepende burgeroorlog tegen de Tamil Tijgers in 2009 met veel geweld ten gunste van de regering te beslissen. Het leverde hem een makkelijke herverkiezing in 2010 op. Zijn partij, de Verenigde Vrijheidsalliantie van het Volk (UPFA), beschikt bovendien over een meerderheid in het parlement. Dankzij een grondwetswijziging beschikt de president nu over veel meer macht dan voorheen.

Ook aan kritiek van de internationale gemeenschap heeft de regering geen boodschap. Toen de Raad voor de Mensenrechten van de VN in Genève er vorige maand op aandrong Sri-Lankese militairen die zich in 2009 hadden schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden alsnog te vervolgen, deed de regering dat af als inmenging in de interne zaken van Sri Lanka. Minister van Buitenlandse Zaken G.L. Peiris sprak van „een bijzonder selectief en arbitrair proces”.

„We hebben na dertig lange jaren van instabiliteit en geweld stabiliteit en vrede bereikt”, zei een andere Sri-Lankese vertegenwoordiger in Genève zonder een spier te vertrekken.

Zulk optimisme is in het verwoeste noorden van Sri Lanka, waar de Tamils in de meerderheid zijn, ver te zoeken. De toestand voor de bevolking is er nauwelijks verbeterd sinds 2009. Veel van de 430.000 vluchtelingen die zijn teruggekeerd naar hun dorpen leven nog onder dekzeilen met een paar bamboestokken eronder, en nauwelijks voedsel.

De regering wijst er echter op dat er nieuwe wegen zijn bijgekomen en andere infrastructurele verbeteringen. Maar volgens onderzoekers van de International Crisis Group (ICG) heeft het leger de leiding over de wederopbouw stevig in handen en spelen lokale Tamil-bestuurders helemaal geen rol. Het leger zou zich ook steeds meer in de economie mengen en eigen restaurants en hotels in het noorden uitbaten.

Aandacht voor nationale verzoening is er nauwelijks en vervolging van Sinhalese militairen sluit de regering uit. Voor haar was de burgeroorlog de schuld van de Tamils

Volgens veel critici, onder wie de Amerikaanse ambassadeur voor mensenrechten Eileen Chamberlain Donahoe, is dat een kortzichtige benadering. Zonder waarheidsvinding en verantwoording afleggen, vertelde ze journalisten in Genève, „zaai je de kiemen voor toekomstig geweld”.

Floris van Straaten