Waarom zelfmoord geen laffe daad is

Zelfmoord wekt vaak de woede van nabestaanden. Ze voelen zich in de steek gelaten. Psychiater Hans van der Ploeg legt uit: ‘Suïcide pleegt men uit wanhoop, om van de kwellende spanning en angst van een depressie af te zijn.’

Vijfentwintig jaar geleden maakte de Italiaanse schrijver Primo Levi in Turijn een eind aan zijn leven. Op 11 april 1987 wierp hij zich om 10.05 uur vanaf de derde verdieping over de balustrade van het trappenhuis naar beneden. Hij was op slag dood, 67 jaar oud. Doodsoorzaak, aldus het politierapport: precipitazione dall’alto – een val vanuit de hoogte. Het gebeurde in het huis waarin hij woonde én was geboren.

De verslagenheid maar ook teleurstelling onder zijn bewonderaars was groot. Hoe kon een moedig mens als Primo Levi, die Auschwitz had overleefd en in Se questo è unuomo (Is dit een mens) had getuigd van de gruwelijke misdaden in Auschwitz, nu zelfmoord plegen?

Eind 1988 las de Amerikaanse schrijver William Styron, die zelf ternauwernood een suïcidepoging had overleefd, met stijgende verbazing in The New York Times dat veel schrijvers en wetenschappers op een symposium over Primo Levi en zijn werk teleurgesteld waren over Levi’s laatste daad. Styron verklaart dit onbegrip uit algemene onwetendheid over wat een depressie nu precies is. Geïrriteerd schreef hij op de opiniepagina van dezelfde krant dat de pijn bij een ernstige depressie onvoorstelbaar is voor mensen die deze ziekte nog nooit hebben doorgemaakt, en dat zelfmoord in veel gevallen het gevolg is van extreme angst die ze niet langer kunnen verdragen. Preventie van veel suïcides zou volgens Styron pas echt lukken als het publiek doordrongen raakte van de aard van deze angst.

De meeste mensen overleven een depressie, maar in veel gevallen is volgens Styron opname in een psychiatrisch ziekenhuis nodig, wat – zoals bij hemzelf – vaak hun enige redding betekent. In zijn later verschenen essay Darkness visible betoogt Styron dat zelfmoord niets te maken heeft met zwakte of gebrek aan ruggengraat.

Styrons essay is, behalve briljant, nog altijd actueel. Het komt nog steeds voor dat de pathologische (of biologische) kant van zelfmoord over het hoofd wordt gezien. Achteraf blijkt bijvoorbeeld dat iemand die op gruwelijke wijze suïcide heeft gepleegd zes weken eerder abrupt was gestopt met het innemen van medicijnen (antidepressiva). Depressieve symptomen kunnen dan plotseling in volle hevigheid terugkeren. Dan is het extra wrang als nabestaanden boos of gekwetst reageren, of uitspreken dat de overledene is ‘weggelopen voor z’n verantwoordelijkheid’ – hoe begrijpelijk deze reactie ook klinkt. Soms wordt beweerd dat het een bewuste keuze was van de zelfmoordenaar uit het leven te stappen.

‘Zelfgekozen dood’

Of bij depressie überhaupt van een ‘zelfgekozen dood’ te spreken valt, is de vraag. Naar aanleiding van de suïcide van de 32-jarige Duitse sterkeeper Robert Enke, op 10 november 2009, spraken veel Duitse kranten van zo’n ‘zelfgekozen’ levenseinde. Volgens de Duitse sportverslaggever Ronald Reng, die in Ein allzu kurzes Leben invoelend schreef over het leven en de dood van Enke, is dit apert onjuist: „De dood van iemand met een depressie is nooit een vrije keuze. De ziekte vernauwt de waarneming zozeer dat de zieke niet meer begrijpt wat het betekent te sterven. Hij denkt dat het betekent dat hij van de ziekte afkomt.” Reng heeft gelijk. Suïcide pleegt men uit wanhoop, om van kwellende spanning en angst af te zijn.

Bij Robert Enke, die zowel in 2003 als in 2009 een zware depressie doormaakte, kwam de dood door zelfmoord toch nog onverwachts. Dat komt vaker voor bij depressieve mensen, schrijft Reng terecht. Kort vóór de suïcide verkeren ze in een betere stemming. Ze zijn opgelucht dat ze eindelijk hebben besloten de enige – in hun verwrongen waarneming – beschikbare uitweg te kiezen. De omgeving voelt zich overvallen. De opgeklaarde stemming blijkt de façade te zijn waarachter het doodsverlangen verborgen is gehouden.

Erfelijkheid

Behalve externe factoren (gekrenkte trots, werkloosheid, geldzorgen, relatieproblemen) is er nog een factor die een rol kan spelen bij zelfmoord: erfelijkheid. In bepaalde families komt zelfmoord relatief vaak voor. Primo Levi was niet de enige in zijn familie die zelfmoord pleegde. Bijna een eeuw eerder, op 26 juli 1888 om 2.00 uur ’s nachts, wierp Michele Levi, de grootvader van Primo Levi, zich uit het venster van de tweede verdieping van zijn huis in Turijn. Hij kwam terecht op de binnenplaats en werd ijlings naar het ziekenhuis gebracht. Bij aankomst bleek hij te zijn overleden. De man was 39 jaar oud. Doodsoorzaak: precipitazione dall’alto (!). De zelfmoord had volgens de Turijnse krant Gazetta del Popolo te maken met het financiële debâcle van de bank Giuseppe Levi & zonen, waarvan Michele mede-eigenaar was. Dat is later onderzocht en niet aannemelijk gebleken. Het is niet uitgesloten datMichele Levi ook leed aan een depressie.

Kleinzoon Primo Levi kampte met terugkerende depressies. Bij de laatste, die begon in het najaar van 1986, werkten de antidepressiva onvoldoende die in 1982 wél effectief waren gebleken. Door Levi’s prostaatklachten werd het middel gestaakt. In maart 1987 onderging hij een prostaatoperatie, waardoor hij tevens van zijn depressie af hoopte te komen. Aanvankelijk leek dat ook zo, maar al gauw ging hij psychisch achteruit. Hij had pijn in zijn been, naar zijn idee door uitzaaiingen van kanker. Ook zijn moeder had kanker, meende hij. In feite had geen van beiden kanker. De vergroting van de prostaat was goedaardig gebleken. Hij sliep slecht, was angstig, at nauwelijks. Hij schreef zijn Engelse vertaalster dat er geen hoop meer was. „Ik voelde me beter in Auschwitz. Toen was ik tenminste nog jong en geloofde ik nog.”

Op 7 april 1987 zei Levi tegen een vriendin: „Jij denkt dat mijn somberheid door Auschwitz komt, maar dat is niet zo. Ik heb het kamp overleefd en ervan getuigd.” Tien minuten vóór de fatale sprong sprak Levi telefonisch met opperrabbijn Toaf in Rome: „Ik kan niet verder leven. Mijn moeder is ziek, heeft kanker en telkens als ik naar haar gezicht kijk, herinner ik me de gezichten van de mannen, gestrekt op hun brits in Auschwitz.”

Levi’s laatste depressie werd gekleurd, niet veroorzaakt, door zijn ervaringen in Auschwitz. Niettemin was het depressie, met hypochondrie, hulpeloosheid en hopeloosheid die hem uiteindelijk tot zelfmoord dreef.

William Styron heeft gelijk: zelfmoord is in het merendeel van de gevallen geen teken van zwakte of gebrek aan ruggengraat, maar het gevolg van een ernstige depressie. Zelfmoord blijft een eenzame daad, die in een impulsief moment van angst, wanhoop of diepe depressie wordt doorgezet. Of, zoals de Amerikaanse psycholoog en ervaringsdeskundige Kay Redfield Jamison in haar boek Night Falls Fast schrijft: „Een plotselinge dood staat vaak in de coulissen te wachten op mensen wier familiegeschiedenis of hersenchemie hen voorbeschikt tot een impulsieve zelfmoord.”

Zelfmoord is geen laffe daad.