Voor grootouders is de opvang van kleinkinderen geen plicht

Jonge ouders doen in toenemende mate een beroep op hun eigen ouders om op de kinderen te passen, mede onder druk van bezuinigingen op de kinderopvang. Niet alle grootouders vinden dit prettig. Laat hen zelf uitmaken of ze nog voor kinderen willen zorgen, stelt Heleen Crul.

Nooit eerder waren er zo veel grootouders met zo weinig kleinkinderen als in deze tijd. Bovendien verschilt de nieuwe generatie grootouders in denken en doen aanzienlijk van hun eigen grootouders en de grootouders van hun kinderen. Ze zien er jonger uit, zijn vitaler, hoger opgeleid en meestal welvarender. De standaardlevensloop die het leven van hun ouders beheerste, hebben zij gaandeweg zien veranderen in een keuzelevensloop. Hiermee hebben ze hun voordeel gedaan.

Nu het werkzame leven (nagenoeg) voorbij is, claimen ze de vrijheid om te doen wat ze altijd al hadden willen doen – reizen, nieuwe hobby’s ontwikkelen, een studie beginnen, vrijwilligerswerk, vriendschappen koesteren. Time is on my side, stralen ze uit, maar de handhaving hiervan blijkt in de praktijk nogal weerbarstig, omdat een aanzienlijk deel van de jonge generatie ouders die zij zelf hebben voortgebracht hen in toenemende mate het liefste ziet in hun rol als vaste oppas voor hun kinderen. Vooral nu crèches aanzienlijk duurder worden, neemt de druk op grootouders om als vaste oppas te functioneren aanzienlijk toe. Dit heeft soms het karakter van morele chantage. Resoluut nee zeggen ervaren de meesten als heel moeilijk. Het onderwerp ‘oppassen’ verdeelt de nieuwe generatie grootouders meer dan ooit. Deze grootouders laten zich globaal verdelen in vijf categorieën:

1De enthousiastelingen. ‘Natuurlijk passen wij één of meer dagen per week op. Het is leuk en afwisselend’, zeggen zij. ‘Je leert je kleinkinderen zo heel goed kennen, leeft met hen mee, je maakt je nuttig, want je bewijst je dochter of zoon er een grote dienst mee’.

2De plichtplegers. ‘Als je kinderen het je vragen, zeg je geen nee.’ Deze tweede groep ziet het oppassen als haar plicht die ze bij het eerste kind nog niet echt belastend vindt, maar bij het derde des te meer. ‘Soms liggen we er wakker van’.

3De crisisbezweerders. Zij passen in principe niet vast op. ‘Daar moeten de ouders zelf een permanente oplossing voor vinden’. Ze wonen te ver weg en/of zijn te druk met hun eigen leven, maar als een kleinkind ziek is of zich een andere crisis voordoet, stappen ze in de auto en zijn ze er – desnoods langer dan één dag.

4De afgunstigen. ‘We hebben kromgelegen voor de opleiding van onze kinderen, ons van alles ontzegd. En nu zouden we weer in actie moeten komen? Waarom moeten ze allebei zo nodig werken?’, klagen zij. ‘Voor een nieuwe keuken, een grotere auto, twee dure vakanties per jaar? Laten ze die oppas zelf maar regelen. Geld genoeg’.

5De vrijbuiters. ‘Nooit gedacht dat kleinkinderen zo leuk zouden zijn’, zeggen ze enthousiast. ‘Oppassen? Ja hoor, als het ons uitkomt’. Het komt hun eigenlijk zelden uit. Wel nodigen ze af en toe (schoon)kinderen en kleinkinderen uit voor gezellige etentjes en/of uitjes, als dat hun uitkomt, en ze komen ‘zo veel mogelijk’ op de verjaardagen van de kleinkinderen, met een met zorg uitgekozen cadeau.

De conclusie luidt dat er in feite maar twee categorieën zijn die echt als vaste oppas in dienst willen zijn van hun kinderen – de eerste op basis van zelfgekozen vrijwilligheid, de tweede vanuit een morele plicht. De overige categorieën koesteren bij voorkeur het vrijheid-blijheidideaal. Niettemin passen ze af en toe een weekend op, logeren kleinkinderen bij hen in vakanties en zijn ze, als het even kan, beschikbaar in noodsituaties.

Ook vanuit de politiek is er de afgelopen jaren een groeiende dwang uitgegaan om grootouders in te lijven als vaste oppaskracht. Het CDA begon hiermee als eerste. Grootouders konden op deze manier getuigen van hun maatschappelijke betrokkenheid, was de argumentatie. Vervolgens ontstond de optie van betaalde grootouderoppas, in dienst van hun kind(eren), met als nadeel dat je oma en opa niet kunt ontslaan. Nu moeten deze grootouders – willen zij officieel gastouder worden – eerst een diploma halen en vervolgens hun huis laten controleren op veiligheid. De meesten hebben daar geen zin in. Dan zijn ze liever officieus vaste oppas, zonder bureaucratische en fiscale rompslomp.

De bezuinigingen van de overheid leiden tot duurdere kinderopvang. Hierdoor heeft een toenemend aantal ouders zijn toevlucht genomen – of gaat dat nog doen – tot opvang door grootouders. Deze trend zal naar verwachting doorzetten. Morele chantage van grootouders zal bijdragen tot een toename van de categorie ‘plichtplegers’. Vast oppassen ontneemt grootouders de vrijheid om te doen en te laten waar ze zin in hebben, een voornemen dat ze juist voor deze fase hadden gereserveerd.

Bovendien ontstaat er bij het oppassen, zo is ook mijn eigen ervaring, weer een klassieke rolverdeling, soms zelfs sterker dan vroeger. Oma’s redderen, nemen de zorg voor de baby en huishoudelijke taken op zich. Opa’s repareren, houden de tuin bij, gaan een eindje fietsen met een peuter. Zo ontstaat het fenomeen van ‘plichtoma’ en ‘pretopa’. Het zijn juist vaak de oma’s die vinden dat ze na de zorg voor hun gezin, of de dubbele belasting van moederschap en werk, recht hebben op eigen leven met eigen keuzes, temeer omdat ook hun hoogbejaarde ouders meestal zorg en aandacht vragen. De nieuwe grootouders dreigen zo een op afroep beschikbare uitzendkracht in dienst van twee generaties te worden. „De ene dag loop je achter de rolstoel van je moeder, een paar dagen later achter de buggy van je kleinzoon. En allebei willen ze een ijsje”, verwoordde en kennis van mij onlangs de problematiek.

Met het onbetaalbaar maken van de kinderopvang bezigt de overheid een dubbele moraal. Enerzijds is er de voortdurende druk op vrouwen om economisch zelfstandig te zijn en dus te werken. Anderzijds wordt opvang van kinderen, die dan noodzakelijk is, aanzienlijk duurder. Het is logisch dat een aantal vrouwen zich afvraagt of werken nog wel loont en ermee ophoudt. Anderen ontdekken dat werken alleen maar loont als officiële kinderopvang wordt vervangen door informele – de grootouders. Toch hebben grootouders het volste recht om zonder schuldgevoelens nee te zeggen. Zij hebben uiteindelijk de moeilijke situatie waarin hun dochters zitten – meestal zijn het de ouders van de moeder die oppassen – niet veroorzaakt. Dat heeft de overheid gedaan, met haar bezuinigingsronden.

Er is nog een ander argument om oppassen te beperken. Het overnemen van de opvoedingsrol maakt weliswaar een groot verschil voor de ouders, maar niet voor de kleinkinderen zelf. Uit recent onderzoek blijkt dat de inspanningen van grootouders als vaste oppas niet leiden tot betere en leukere contacten met de kleinkinderen als ze volwassen zijn, om de doodeenvoudige reden dat je als oppassende grootouder doet wat hun ouders doen: de opvoedingsrol op je nemen, dus niets speciaals.

Om dit laatste draait het nu juist bij het grootouderschap. De essentie ervan is: de toegevoegde waarde, vroeger en nu. Deze toegevoegde waarde bestaat uit heel speciaal zijn voor je kleinkinderen.

Van oudsher hebben grootouders aandacht, geduld en geborgenheid geboden aan kleinkinderen. Tegenwoordig kunnen ze nog meer betekenen, omdat ze meestal welvarender en vitaler zijn. De ouders van hun kleinkinderen hebben door de drukke, steeds verspringende actualiteit van hun leven meestal geen tijd om fietstochten te ondernemen, spelletjes te doen, naar een museum te gaan, een picknick in het bos te organiseren, te knutselen en de verschillen tussen vroeger en nu op velerlei gebied uit te leggen. De glorie van de relatie tussen grootouders en kleinkinderen ligt vooral in het wederzijds genieten. Investeringen in kleinkinderen maken grootouders niet alleen heel bijzonder, maar bezorgen die kleinkinderen voor de rest van hun leven ook mooie, onvergetelijke herinneringen.

De vrijwillige inspanningen hiervoor zijn om al deze redenen veel belangrijker dan het verplichte oppassen, maar los hiervan heeft de nieuwe generatie grootouders het volste recht eigen keuzes en prioriteiten te stellen, zonder claims van wie ook. Oppassen of niet oppassen, wanneer en hoe – dat willen wij zelf uitmaken, zonder enige vorm van dwang van wie ook.

Heleen Crul is publiciste en auteur van het boek Tussen de generaties, de nieuwe grootouders.