Suma no sutu o k'ba (Wie niet schiet wordt afgemaakt)

De Surinaamse president Desi Bouterse heeft altijd ontkend dat hij aanwezig was bij de moorden in Fort Zeelandia, 8 december 1982. Hoe geloofwaardig is zijn verhaal?

In de nacht van 7 op 8 december 1982 wordt de Surinaamse vakbondsleider Fred Derby Fort Zeelandia, zetel van het militaire regime van legerleider Desi Bouterse, binnengebracht. „Ik moest mijn kleren uittrekken, mijn sieraden weghalen, mijn ketting neerleggen, mijn ring afdoen, ik moest in mijn onderbroek blijven en ik werd meegenomen naar een cel”, zei Derby in 2001 in een getuigenis. Praten was verboden. Bij de ochtendschemering ziet Derby met wie hij is opgesloten: de advocaten Riedewald, Gonçalves, Hoost en Baboeram en de journalisten Kamperveen en Slagveer. Even later worden Rambocus en Sheombar naar binnen gesmeten, twee militairen die dat jaar een mislukte couppoging hadden gedaan. Daarna komen journalist Frank Wijngaarde en vakbondsleider Cyrill Daal er nog bij. Vijf andere arrestanten zitten in het naastgelegen gebouw van de militaire politie.

De ruimte in het fort waar de elf zitten opgesloten is van boven open. Derby: „Je kon een draaitrap zien en als je die opging kwam je direct in de kamer van Bouterse. Vanuit de cel kon je zijn rug zien. [...] Cyrill Daal kwam naast mij staan en huilde, we leunden met ons hoofd tegen de muur want je mocht niet staan of liggen tegen die muur en hij zei: de jongens zijn in de stad aan het schieten, wat denk je, Fred? Ik zeg: laten we bidden, Cyrill, en je moet tot jezelf praten dat ons niks zal overkomen. Hij zei: de jongens gaan ons doodschieten. Ik zei: ik denk het niet, Cyrill, we zijn niet met kwade dingen bezig, we staan niemand naar het leven.”

Om ongeveer half negen worden de eerste gevangenen uit de cel gehaald. „Drie of vier jongens komen binnen, jij, jij, jij, zeggen ze, Daal, Rambocus, Sheombar, Kamperveen en Slagveer. Echt hardhandig werden ze naar buiten gesleurd en over die draaitrap naar Bouterse gebracht. Niet lang daarna hoorden we schoten. Gericht vuur, parraprrprrrprr, van dichtbij.” De gevangenen beneden begrepen direct dat de vijf waren doodgeschoten. „De hel brak los. Het was geen grote ruimte daar, maar het werd meteen één geren. Wij mensen zijn niet meer dan ontwikkelde dieren. Iedereen begon te rennen in de hoop zichzelf te redden. Terwijl ik rende zag ik Baboeram tegen de muur staan, de stenen muur, en terwijl hij bad, begon hij met zijn hoofd tegen de muur te slaan tot bloedens toe.’’

De Decembermoorden waren het trieste dieptepunt in een politieke strijd tussen legerleiding en oppositie. Begin 1980 hadden zestien sergeanten onder leiding van legerleider Desi Bouterse in Suriname de macht gegrepen. Aanvankelijk kregen de militairen het voordeel van de twijfel. Maar toen Bouterse zijn belofte brak om in 1982 vrije verkiezingen te organiseren, leidde dat tot de grootste protestbeweging in de Surinaamse geschiedenis.

De executie daarna, op 8 december 1982, van vijftien tegenstanders van het militaire bewind-Bouterse achtervolgt de Surinaamse samenleving tot op de dag van vandaag. Vorige week aanvaardde het Surinaamse parlement een omstreden amnestiewet, die de verdachten van de Decembermoorden van straf moet vrijwaren. Nederland besloot daarop de ontwikkelingshulp aan Suriname voorlopig te stoppen. Gistermiddag kondigde de krijgsraad aan op 11 mei te besluiten over eventuele consequenties van de amnestiewet.

De vraag of Bouterse tijdens de executies in het fort was, zal uiteindelijk een heel belangrijke toets zijn om zijn schuld vast te stellen. De toenmalige legerleider en huidige president heeft altijd ontkend dat hij bij de moorden aanwezig was. Bouterse noemt zichzelf alleen „politiek verantwoordelijk’’.

Van zijn allereerste verklaring, in 1982 op de Surinaamse tv, dat de vijftien „op de vlucht’’ waren neergeschoten is hij eerder teruggekomen. Deze lezing was volkomen ongeloofwaardig, de slachtoffers hadden frontale verwondingen. Dat werd vastgesteld door familieleden die in december 1982 het mortuarium in Paramaribo bezochten.

Bouterse houdt nog steeds vol dat hij niet aanwezig was. De laatste decennia is meermalen onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen in Fort Zeelandia. Een lange reeks getuigen spreekt de president tegen.

Vakbondsleider Derby, die destijds als enige gevangene het fort ongedeerd mocht verlaten, overleed in 2001. Voor zijn dood legde hij op band en ook tijdens een politieverhoor verklaringen af. Klopt zijn verhaal?

Wie rondloopt in het 17-de eeuwse fort – tegenwoordig weer een museum – kan vaststellen dat Derby’s situatieschets in elk geval klopt. Vanuit de openlucht-cel, de zogenoemde ‘driehoek van Bermuda’, konden de gevangenen inderdaad naar boven kijken in de kantoorruimte waar Bouterse destijds achter een tafel zou hebben gezeten. En het was mogelijk zijn rug te zien. De stalen wenteltrap is er nog. En wie boven naar het buitengelegen platform – bastion Veere – loopt, ziet nog de kogelgaten in de muur zitten, waar de arrestanten werden geëxecuteerd. Op die plek hangt nu een maquette met de namen van de vijftien slachtoffers. Aan hun dood ging een 'rechtszitting’ vooraf.

Achter een tafel zit de topdrie van het leger: Desi Delano Bouterse, Roy Horb, Paul Bhagwandas. Een voor een worden de arrestanten voor deze ‘rechtbank’ geleid of gesleurd. Ze worden toegesproken als ‘vijanden van de revolutie’ en als samenzweerders die een ‘contrarevolutionaire coup’ beramen. Bouterse beschuldigt de doodsbange, huilende mannen van ‘activiteiten tegen het Militair Gezag’.

Daarna worden ze op het buiten gelegen platform doodgeschoten, na zwaar te zijn mishandeld. Van een executiepeloton is geen sprake, eerder van een ongeordende groep militairen die van dichtbij hun automatische wapens leegt op de arrestanten. Sommigen zijn al door kogels getroffen als ze door de gang naar buiten strompelen. Bhagwandas loopt steeds heen en weer om opdracht te geven een nieuwe arrestant naar boven te brengen. Niet alleen de ‘groep van zestien’, onder invloed van drugs en alcohol, gebruikt hun uzi’s. Ze zeggen tegen andere militairen dat ze „mee mogen doen als ze zin hebben”. Eerder hebben militairen de gevangenen al toegeroepen: „We gaan jullie doodschieten”.

Op 8 december begeleidt lijfwacht Rudie Chotkan luitenant Roy Horb naar Fort Zeelandia, omdat de laatste zich bij Bouterse moet melden. Chotkan getuigt voor de rechter-commissaris dat hij „in het fort de persoon van de toenmalige legerfunctionaris Paul Bhagwandas, thans wijlen, en anderen schoten heeft zien afvuren op een drietal personen die zich op een platform bevonden. Enige tijd nadat de heer Horb zich bij de persoon van de verdachte D.B. [Desi Bouterse] had gemeld, kwam hij uit diens werkruimte tevoorschijn, waarbij hij in vulgair taalgebruik zijn misnoegen over betrokkene uitte’’.

Ook een tweede lijfwacht van Horb, Onno Flohr, is op 8 december in het fort. Volgens Flohrs getuigenis voor de krijgsraad „verkeerde dhr. Bhagwandas toen hij zich bij hem meldde, in aanwezigheid van de persoon van D. B. [Desi Bouterse], de verdachte R.R. [Ruben Rozendaal] en andere leden van de zogeheten ‘groep van zestien’. Desgevraagd constateert de getuige dat hij kort voordat hij deze personen waarnam, schoten had gehoord in het fort.’’ Eerder verklaarde Flohr al in een interview op de Nederlandse televisie, onherkenbaar in beeld gebracht, dat hij zelf met een automatisch wapen op personen had geschoten in de veronderstelling „dat genoemde personen voornemens waren een coup te plegen” aangezien hem „dat was voorgehouden”. Voor de krijgsraad zegt Flohr dat Bhagwandas soldaten toeblafte dat ze moesten schieten: „Suma no sutu o k’ba (Wie niet schiet wordt zelf afgemaakt). Voormalig verbindingssoldaat Birendersing Jankiepersadsing vertelt tijdens een zitting dat Bouterse „’s morgens tijdens de executies in Fort Zeelandia op zijn werkkamer is”. Om één uur zou hij zijn vertrokken om rond zeven uur ’s avonds terug te keren. Ook ex-leden van de zogeheten Echocompagnie, een elitekorps dat het fort bewaakte, hebben getuigd van Bouterses aanwezigheid bij de executies.

Ook Eleonore Brakke-Geer, secretaresse van Bouterse, is die avond van 8 december in het fort. Ze komt voor haar baas een persverklaring over de gebeurtenissen typen. „Ja ik heb Derby gezien in witte onderbroek”, vertelt ze de krijgsraad. „Ik zag Derby naar boven gaan toen Horb was gekomen. [...] Hij heeft samen met Horb het fort verlaten rond 20.10 uur. [...] Ik ging 20 minuten na hen weg.” Haar getuigenis sluit naadloos aan bij een verklaring van de toenmalige minnares van Bouterse, die in het gerechtelijk vooronderzoek verklaart dat deze zich „op avond van 8 december 1982 bij haar had gevoegd”. Toen hadden de executies al plaatsgevonden. Bouterse zelf zegt steeds dat hij tijdens de executies bij zijn minnares was.

Secretaresse Brakke-Geer heeft eerder op die achtste december nog iets opmerkelijks gehoord, van Bouterses jonge kinderen Peggy en Dino. Ze is dan bij het pal naast het fort gelegen huis van de legerleider. Vanaf het balkon van de historische houten woning heb je goed zicht op de gang naar bastion Veere. De secretaresse: „De kinderen waren rond de 6 jaar. Ze zeiden: militairen hebben op een man geschoten. Toen heb ik [Bouterses echtgenote] Ingrid gezegd om met de kinderen weg te gaan.”

Op de zittingen van de krijgsraad is de getuigen meermalen het rapport van VN-mensenrechtenrapporteur Amos Wako voorgehouden. Wako concludeerde in 1985 dat er sprake was van standrechtelijke executies en dat Bouterse erbij was.

Van de leden van de ‘groep van zestien’ was er tot voor kort niemand die over Bouterses aanwezigheid tijdens de executies sprak. Geheugenverlies speelde hen parten. Toen rechter Cynthia Valstein-Montnor uit het rapport-Wako voorlas dat legerofficier Marcel Zeeuw – een van de ‘groep van zestien’ – hem tijdens zijn onderzoek in 1984 aanwees waar de ‘berg’ dode lichamen in het fort lag, zei Zeeuw dat hij zich daar niets van kon herinneren: „Ik weet totaal niet waarover meneer Wako het heeft, misschien is het een andere Zeeuw.”

Op de laatste, ingelaste, zittingsdag was militair Ruben Rozendaal – zowel verdachte als getuige – de eerste van de ‘groep van zestien’ die uit de school klapte. Ook hij bevestigt dat Bouterse – en ook hijzelf – tijdens de executies in het fort was. Rozendaal kwam daarmee terug op een eerdere verklaring dat hij Bouterse niet had gezien. Voor de getuigenis van Rozendaal dat Bouterse zelf twee arrestanten (Rambocus en Daal) ombracht, lijkt moeilijker bewijs te vinden.

Rozendaal is ook degene die Horbs lijfwachten opdracht geeft Derby naar huis te brengen. Kort daarvoor is de vakbondsleider bij Bouterse boven geweest. Zijn postume getuigenis: „Bouterse vraagt mij: waar is je broek. Ik heb gezegd: ik weet het niet. Bhagwandas heeft die beneden afgenomen. Bouterse zegt: ga hier op het balkon en zoek je broek uit. Ik ga daar naartoe en terwijl ik mij buk om mijn broek te pakken, ik huilde constant, hoor, zie ik twee mensen liggend tegen die muur geleund en dat waren Slagveer en Ampie Kamperveen. Nu weet ik niet of dat lijken waren of dat ze nog leefden.”

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van: perscommuniqués en persverslagen van zittingen van de krijgsraad; De Decembermoorden in Suriname. Verslag van een ooggetuige (J. Sariman,1983); UNHCR, Report by the special rapporteur on summary and arbitrary executions (Amos Wako 1985); De 8-decembermoorden. Slagschaduw over Suriname (Harmen Boerboom en Joost Oranje, 1992).