Solidariteit aan de top

Het is een internationale trend: hogere inkomens moeten zwaarder worden belast waardoor ze de nationale overheden kunnen helpen zich uit het financiële moeras te redden. De Amerikaanse multimiljonair Warren Buffet (geschat vermogen volgens zakenblad Forbes: 44 miljard dollar) was een van de (multi-)miljonairs die er zelf om vroegen. Spanje heeft een ‘rijkentaks’ ingevoerd voor vermogens boven de 700.000 euro. De socialistische Franse presidentskandidaat Hollande heeft een belastingschijf van 75 procent geopperd voor inkomens boven de één miljoen. Onder president Sarkozy is al tot een tijdelijke verhoging van 3 procent besloten voor inkomens boven de vijf ton.

De Britse minister van Financiën Osborne laat een afwijkend geluid horen. Hij meent juist dat het hoogste belastingtarief in zijn land moet worden verlaagd van 50 naar 45 procent, voor inkomens boven de 150.000 pond.

In Nederland herhaalde de PvdA deze week haar pleidooi om de hogere inkomens meer financieel te laten bijdragen, bijvoorbeeld door diverse regelingen inkomensafhankelijk te maken. Ook de SP, uiteraard, en de vakcentrales vinden dat de zwaarste schouders nog wel wat zwaardere lasten kunnen dragen. In het CDA is een discussie gaande over een vlaktaks, een gelijk tarief voor iedereen, maar de commissie die dit voorstelde voegde er meteen een speciaal tarief, een „solidariteitsheffing”, voor hoge inkomens aan toe.

Nu zijn de landen niet zomaar te vergelijken. In de Verenigde Staten is er alle aanleiding voor een veel evenwichtiger verdeling van de belastingdruk tussen rijk en arm. Maar de Verenigde Staten zijn Europa niet en Frankrijk is Nederland niet. In Nederland zijn de belastingen op inkomen en vermogen relatief hoog. Al is de hoogste schijf voor de inkomstenbelasting, die in de jaren 80 nog 72 procent bedroeg, intussen verlaagd tot 52 procent. Met goede redenen, en die zijn niet ineens verdwenen.

Toch is de roep om lastenverzwaring voor de ‘rijken’, in een tijd waarin overheden zich gedwongen zien om harde maatregelen te nemen die bedreigend kunnen zijn voor de sociale cohesie, begrijpelijk. Anders dan vaak beweerd hoeft een hoge belastingdruk ook niet de nationale economie per definitie te verzwakken: zie het welvarende Zweden.

Maar in Nederland is er al sprake van een redelijk herverdelingsmechanisme. Door het progressieve belastingstelsel en vooral door de aftrekposten, vrijstellingen en heffingskortingen die er onderdeel van zijn. Volgens becijferingen bij het CBS is het gevolg dat de nettodruk van de belastingen voor de laagste inkomens op gemiddeld 4,6 procent uitkomt en voor de hoogste op 27,5 procent.

Verhoging van de hoogste belastingtarieven zou voor de staatskas veel minder effectief zijn dan andere maatregelen. Er kunnen wel sociaal-psychologische redenen voor zijn. Als uitkeringen worden bevroren of verlaagd, als ziektekostenpremies nominaal omhoog gaan, als ‘alles’ maar duurder wordt, moeten de rijken dan niet een extra handje helpen? Al gauw belandt de semantiek dan in termen als kleptocratentaks of jaloeziebelasting.

Inkomensverschillen horen erbij en zijn voor een gezonde economie onmisbaar. De irritatie erover wordt uiteraard groter in tijden van crises dan wanneer het iedereen relatief goed gaat. Maar de verontwaardiging over uitwassen zit hem niet zozeer in de hoogte van de belastingtarieven. Die wordt veeleer veroorzaakt door onwaarschijnlijk hoge bonussen, al te riante pensioenregelingen, op voorhand afgesproken gouden handdrukken die nog niet van ijzer hadden horen te zijn, en, in de semicollectieve sector, door salarissen die niet passen bij betrekkelijk risicoloze functies.

Het kabinet, dat onder VVD-leiding al voor opmerkelijk veel lastenverzwaring heeft gezorgd, doet er goed aan dergelijke excessen, net als het ontduiken van de belastingplicht, zoveel, mogelijk tegen te gaan. In woord en daad. Liever dat dan louter omwille van schijnbare solidariteit de lasten aan de top verder te verzwaren.