Rechten heb je wel, alleen krijg je ze niet altijd

The British Journal of Sociology, uitgever Blackwell Publishing. Vol. 63, nr. 1 (maart 2012), 198 blz.

Minister Henk Kamp (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher gingen vorige week in de clinch tijdens het tv-programma Pauw en Witteman. De Amsterdamse raad had net een motie aangenomen die leerlingen van het mbo die illegaal in Nederland verblijven toestaat stage te lopen. Asscher staat achter dit raadsbesluit, maar volgens Kamp is het strijdig met de wet. Het is niet toegestaan een werkvergunning af te geven voor een stage van illegale scholieren, ook al is werkstage onderdeel van hun opleiding.

Het recht op onderwijs, dat de Nederlandse overheid ook gunt aan minderjarige illegalen, blijkt niet te combineren met een ander recht, dat diezelfde overheid alleen toekent aan eigen burgers en aan ingezetenen met een verblijfstitel: het recht op werk. Mensenrechten zitten vastgeklonken aan een vorm van burgerschap, en dat geldt voor de hele Europese Unie. Die Europese januskop – grensoverschrijdende rechten, maar nationale, vaak selectieve toepassing – is onderwerp van een prikkelend themanummer van The British Journal of Sociology (maart 2012).

Yasemin Soysal, docente sociologie aan de universiteit van Essex, schreef het openingsartikel. Ze ziet in de wereld een ‘postnationalistische’ tendens: naties en staten richten zich steeds meer naar normen die grenzen overschrijden. Volgens Soysal gaat dit bij uitstek op voor de Europese Unie, ’s werelds meest ontwikkelde stelsel van supranationale regelgeving. Waarom is de PVV gefrustreerd over uitblijvende immigratiebeperking door het kabinet-Rutte? Omdat dit niet zo eenvoudig is binnen de EU.

Tegelijkertijd ziet Soysal een andere, neoliberale tendens. In alle Europese verzorgingsstaten is de invulling van burgerschap de laatste twee decennia veranderd. Het is steeds minder een status waaraan je automatisch rechten ontleent. Rechten – op een uitkering bijvoorbeeld – moet iedereen tegenwoordig individueel ‘verdienen’. De ‘autochtoon’ moet bewijzen dat hij een goede burger is door ‘zijn verantwoordelijkheid te nemen’, zich verder te ontwikkelen en alle kansen op werk aan te grijpen. De nog niet genaturaliseerde immigrant moet laten zien dat hij erbij wil horen en zich de spelregels van het land van aankomst heeft eigen gemaakt. Die ‘individualisering van het burgerschap’, zegt Soysal, verhoogt de drempel voor nieuwkomers van buiten de EU.

De Nederlandse socioloog Ruud Koopmans – hij doceert in Berlijn – ziet geen empirische grondslag voor de door Soysal geponeerde ‘postnationalisering’. Als daarvan sprake zou zijn, schrijft hij, zouden we nauwelijks verschillen zien in de rechten die lidstaten toekennen aan immigranten. Dan zouden die rechten meer overeenkomen tussen lidstaten dan tussen landen binnen en buiten de EU. En dan zouden verschillen in regelgeving in de loop van de tijd afnemen. Koopmans laat zien dat geen van die drie hypothesen wordt gestaafd door de feiten.

Om in Europa een verblijfstitel en burgerrechten te krijgen moeten niet-genaturaliseerde immigranten een taal- en inburgeringexamen afleggen, of niet. Ze mogen wél of geen dubbel paspoort aanhouden als zij naturaliseren. Het is makkelijk of juist moeilijk om een huwelijkspartner te halen uit een niet-EU-land. Immigranten kunnen wél of niet worden uitgezet als zij afhankelijk worden van een uitkering of een klein misdrijf begaan. En zij mogen in alle overheidsbanen werken, of in geen enkele.

Europa heeft geen januskop, het is een veelkoppige draak.