Prachtwerk van een klassieke achter-de-bomenspion

Arjen Fortuin neemt deze week de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Met een trollentekenaar, een vergeten criticus en een zielige schilder.

Provo en Kabouter Roel van Duijn had vaak gelijk en werd eindeloos dwarsgezeten. En hij werd jarenlang geschaduwd door de BVD. Na eindeloos veel moeite slaagde hij erin zijn eigen dossier in handen te krijgen, en dat gebruikte hij om zijn memoires te schrijven. Daarin blijkt hij, inderdaad, vaak gelijk te hebben en wordt hij doorlopend dwarsgezeten. Het interessante van Diepvriesfiguur. Autobiografie van PD106043 in samenwerking met de AIVD (Van Praag, 464 blz. € 19,95) is dan ook niet de gelijkhebberige tekst van Van Duijn, maar de bijlagen. Daarin staan geweldige BVD-documenten, vanaf het moment dat hij als leerling aan het Haags Montessori Lyceum al werd gezien als gevaar voor mogelijk kwetsbare medeleerlingen tot een fenomenaal verslag van wat een klassieke achter-de-boom-spion in regenjas moet zijn geweest: „Op woensdagmiddag, 23 februari 1966, te omstreeks 12.40 uur, liepen er in de Hartenstraat (gaande van de Herengracht naar richting Singel) vijf luidruchtig doende, provo-achtig uitziende jonge mensen, van wie er één, in lichtbruine demie gekleed, vanuit de verte leek op de bekende Roel van DUIJN. Achter elkaar lopend, voorover gebogen handen op elkaars schouders (de z.g. carnavalsmars) verdwenen ze door de deur van perceel Hartenstraat 15.”

Had de Noorse geheime dienst Anders Breivik, die maandag voor de rechter verschijnt, maar zo goed in de gaten gehouden. De xenofobe terrorist Breivik heeft in één klap de fjorden, bossen, bergen en muggen verdrongen als eerste associatie bij Noorwegen. Reisschrijver Gerrit Jan Zwier doet een oprechte poging het land weer terug te veroveren voor de ongereptheid in Altijd Noorwegen, een bundeling van soms eerder gepubliceerde Noorwegenstukken (Atlas, 270 blz. € 24,95). Klassieke reisboekenliteratuur („Bij het water houdt een scheefgezakt schuurtje, dat bekroond wordt met een grasdak, zich met moeite overeind”), met hier en daar verwijzingen naar het plaatselijke cultureel erfgoed, zoals de Noorse trollentekenaar Theodor Kittelsen (1857-1914). En er is een dorpje dat Å heet, een naam die alleen al de reis naar Noorwegen waard is.

Noorwegen schonk Nederland in elk geval de klassieker Nooit meer slapen van W.F. Hermans, de schrijver die een paar keer voorbij komt in Terzijde van de vulkaan, de bundel ‘kritieken en essays’ van Rob Molin (Aspekt, 222 blz. € 19,95). Degelijke stukken met verhoudingsgewijs veel aandacht voor bijna (Bertus Aafjes, Hubert Lampo), vrijwel (Ton van Reen) en volledig vergeten schrijvers en critici. In die laatste categorie: een ontroerend stuk over Huug Kaleis (1928-1989). Kaleis schreef geweldige kritieken over Hermans, diskwalificeerde tussen neus en lippen door Harry Mulisch als de ‘revolutionaire playboy van Avenue’.

Kaleis zag literatuurkritiek als een vorm van autobiografie: „Wat men juist bezig was in zichzelf te bekijken, bestudeert men en pluist men verder uit in een schrijver, die men daartoe soms opzettelijk gekozen heeft.” Niet dat dat een vrolijk verhaal oplevert. Op de een of andere manier verbaast het je niet dat de machtige en woeste criticus Kaleis uiteindelijk in de drank zijn meerdere moest erkennen.

Meer moeilijke temperamenten in De waanzinnige liefde van Alma Mahler en Oskar Kokoschka, een op feiten gebaseerde roman van de Oostenrijkse Hilde Berger (vert. Henk ten Berge, Conserve, 220 blz. € 19,99). Waanzinnig is een groot woord, maar de teksten die Alma Mahler uitspreekt als zij haar naar eeuwige liefde hakende minnaar Kokoschka de deur wijst, liegen er niet om: „Je bent helaas geen genie, Oskar, je bent middelmatig. Gustav Mahler was een genie, maar jij bent dat niet. Ik heb me in je vergist.” Arme Oskar! Het ongelijk van Alma wordt in het illustratiekatern van het boek aangetoond, want tekenen, dat kon Kokoschka. Zie vooral een van de eerste tekeningen die hij van haar maakte, een portret met meer diepgang dan het boek eromheen.

De diepgang van Ian Buruma is van een heel andere orde. Buruma’s boek uit 1994 over hoe Duitsland en Japan omgaan met de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog werd uitgebreid en herdrukt (Het loon van de schuld, Atlas, Vert. Tinke Davids en Suzan de Wilde, 375 blz. € 24,95). Hij schreef een nieuw voorwoord met een prominente rol voor Günter Grass: niet als van antisemitisme beschuldigde schrijver, maar als deelnemer aan een curieus gesprek met collega-Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë. De heren putten zich uit in kritiek op het eigen land. Japan was een racistisch land, hoort Buruma Oë zeggen. Waarop hij vervolgt: „Ja, maar Duitsland óók, zei Grass, die zich de loef niet liet afsteken, Duitsland óók, en Duitsland was zelfs nog erger: denk maar eens aan de haat jegens Polen, Turken en buitenlanders in het algemeen.” Mijn volk is het slechtste – een wonderlijke en ook wel weer verfrissende wedloop.