Pim Fortuyn en de twee fabulerende Kamerleden

Dat was lachen de laatste weken. Eerst John Leerdam (PvdA), daarna Ineke van Gent (GroenLinks). Allebei betrapt door een handige vlerk van de radio. Allebei praten over zaken waar ze niet zoveel van afweten. En maar doorpraten. Vragen om moeilijkheden natuurlijk.

Leerdam bleek een erg eenvoudig slachtoffer. De voormalig theaterdirecteur uit Amsterdam, tijdelijk terug in de Kamer, reageerde op een uitspraak van de Israëlische ex-premier Sharon, die al jaren in coma ligt. Hij veinsde kennis over een niet-bestaande ‘straatterrorist’. Hij sprak over de zangkwaliteiten van een niet-bestaande zanger. Toen dat allemaal op Radio 3 was uitgezonden gaf hij zijn tijdelijke Kamerzetel maar op, met zo’n verklaring („geloofwaardigheid geschaad”) waaraan je kon aflezen dat-ie die niet in zijn eentje had zitten typen.

Bij Ineke van Gent lag het minder helder. Zij moest reageren op het verzinsel dat Richard Nixon de campagne van Obama kwam versterken. Zij zei dat elke versterking van de campagne van Obama haar wenselijk leek, ze voelde nattigheid en stopte er gauw nog „wellicht” tussen, maar dat was te laat. Nixon is dood. En was een Republikein.

Toch vroeg ik me af hoe bijzonder dit is. Wie wel eens een onderwerp grondig heeft uitgezocht, en ’s anderendaags de redactionele reflex uitvoert („rondje Kamerleden’’), merkt dat parlementariërs niet de minste moeite hebben zinnen aaneen te rijgen over thema’s waarvoor ze nooit echt de tijd hebben kunnen nemen. Zo komen de onderste stenen (die boven moeten) in de wereld. Verslaggevers zijn wat dat betreft net zulke clichémannetjes als de Kamerleden die ze beschrijven.

Die aaneengeregen zinnen zie je ook terug in de filmpjes waarin Leerdam en Van Gent erin worden geluisd. Zinnen waarvan je halverwege denkt: benieuwd hoe dit afloopt. Ze zijn in zoverre verrassend dat mediatrainers, en daar gaat tegenwoordig elke politicus bij in de leer, allemaal zeggen dat Leerdam en Van Gent les één van de cursus moeten zijn vergeten. Ik belde vijf mediatrainers, een willekeurige steekproef, en stuk voor stuk vertelden ze hoe ze politici op de cursus uitleggen dat zij niet moeten praten als ze niets weten. En dat ze moeten ophouden met praten als ze hun antwoord hebben gegeven.

Hoe de ongelukken dan toch in de wereld komen? De eenvoudigste verklaring ligt zo voor de hand dat je hem bijna zou vergeten. „Sommige Kamerleden zijn zo blij met een microfoon voor hun neus dat ze meteen het komende jaar doornemen’’, zegt Peter ter Horst, een oud-collega van deze krant die nu een bureau in communicatie- en mediastrategie heeft.

Dat is niet alleen ijdelheid, beaamt hij. De ongeschreven regel in grote fracties is dat leden die geen publiciteit halen zakken in de informele pikorde, vertelt oud-Kamervoorzitter Frans Weisglas. Dit is van alle tijden. Weisglas was zelf, zeker als beginnend VVD-Kamerlid in de jaren tachtig, zeer bedreven in het vergaren van publiciteit. Bij de eerstvolgende verkiezingen steeg hij „met stip’’ op de lijst. Maar iedereen weet dat publicitair succes niet altijd synoniem is aan politiek succes. „Ik zeg altijd: 150 Frans Weisglassen is te veel van het goede’’, lacht hij.

De vermenging van politiek en entertainment nam sindsdien zo’n vlucht dat de discussies van de jaren tachtig („meedoen aan Sterrenslag?’’) kinderspel zijn vergeleken met de praktijk nu. Weisglas en enkele mediatrainers noemden in dit verband meteen Rutger Castricum – al weet ik niet of het bij hem begonnen is. Twintig jaar terug zaten politici al mee te lachen als Paul de Leeuw ze op televisie voor aap zette. Nu is meelachen met Rutger de standaard. Mediatrainers vinden dat dit de beste manier is om hem „onschadelijk’’ te maken. En Rutger kent intussen vele navolgers op het Binnenhof, zoals de interviewer van Leerdam en Van Gent. En inderdaad, in die filmpjes zie je dat beide Kamerleden dachten dat ze iets met humor moesten nadoen.

Dan nog, zou je zeggen, hoort een politicus geen feiten te verzinnen. Het is maar hoe je het bekijkt, leerde ik woensdag bij de presentatie van het boek De jonge Fortuyn door Leonard Ornstein. Die ochtend kwam in de Volkskrant, in een interview met Ornstein, Fortuyns neiging tot „fabuleren’’ aan de orde. Interessante woordkeuze. Fabuleren.

Het boek, een aanrader, schetst met fraaie voorbeelden dat de jonge Fortuyn zijn hang naar overdrijving en verfraaiing gemakkelijk liet overgaan in fantasie. Hij deed zich voor als lid van de patriciërsfamilie Drooglever Fortuyn. Hij claimde een leidende rol in het studentenprotest van de jaren zestig, die hij nooit had. Hij ontkende in 1993 dat hij in zijn jonge jaren met de CPN flirtte; Ornstein laat zien dat hij als 24-jarige lid wilde worden.

Op die boekpresentatie werd hier niet lacherig of laatdunkend over gedaan. „Hij wilde een bepaald beeld van zichzelf neerzetten’’, zei Ornstein. „Hij fabuleerde misschien, maar hij ging de confrontatie niet uit de weg’’, vergoelijkte Frits Bolkestein. En Marco Pastors wist nog dat Fortuyn zijn bekendste voorspelling – „Ik word minister-president’’ – deed op de avond dat hij uit Leefbaar Nederland was gezet. „Dat kun je fabuleren noemen, maar het is iets willen’’, zei Pastors.

Het politieke spel komt vaak op hetzelfde neer: de zwakke pakken. De behandeling van Leerdam en Van Gent is er een schoolvoorbeeld van. Over de doden niets dan goeds, dat speelt vast ook mee – maar de suffige incidenten met deze Kamerleden staan natuurlijk niet in de schaduw van Fortuyns permanente behoefte de werkelijkheid te vervormen.

Fortuyn, zei Ornstein, slaagde erin „het theater van de politiek maximaal te benutten’’. Zo kun je het ook zeggen. En hij liet zijn concurrenten zien dat een theatrale presentatie electoraal hoogst effectief kan zijn. Het is vermoedelijk zijn voornaamste blijvende invloed. Hij vergrootte alles uit – zichzelf, de feiten, de problemen van Paars, die bij hem puinhopen werden. Dit in combinatie met de opkomst van entertainment aan het Binnenhof is de nieuwe politiek van Nederland.

Het leek me een mooi themaatje voor een gesprek met de, voor zover ik weet, enige acteur in de Kamer, Boris van der Ham (D66). Hij vertelde dat hij niet vond dat de problemen van Leerdam en Van Gent in verband moeten worden gebracht met politiek als (slecht) theater. Hij wilde niet aan een stuk met „dit frame’’ – die term gebruikte hij letterlijk – meedoen. Hij legde uit dat acteren geen liegen is, juist niet: goed acteren is een vorm van waarachtigheid – enfin, u kent de redenering. Van der Ham wees het verzoek af.

En toen kwam het. Deze volksvertegenwoordiger voor de partij van de openheid wilde me toch graag helpen. Heel sympathiek eigenlijk. Hij zei: „Ik kan je wel een quootje geven.’’ Hij wachtte het antwoord niet af en gaf zijn quootje – twee risicoloze zinnen over acteren en politiek.

Theater, fabuleren, feiten manipuleren – het is niet begonnen bij Fortuyn, maar door hem geperfectioneerd, en intussen heeft menig politicus er het zijne van geleerd. Wie een interessant Kamerlid als Boris van der Ham volgt zal zien dat hij graag tijd vrijmaakt voor de camera; voor elke Rutger, Jakhals of Radio 3-reporter zet hij een schitterende Boris neer. Maar een gesprek, een echt gesprek? In een poging iets van de werkelijkheid over het Binnenhof uit te leggen? Hem niet gezien.

Het zegt, vermoed ik, vooral iets over de nederige rol die dagbladreporters tien jaar na Fortuyn in Den Haag wordt toegedicht. Geef ze een quootje, dan zijn ze tevreden.