Ian Buruma: Nostalgie is gevaarlijk Ian Buruma: identiteit is in de plaats gekomen van klassenstrijd

Er zijn goede redenen om nostalgie te wantrouwen. Identiteitspolitiek, het ziekelijke verlangen naar de heimat, kitsch en ressentiment kunnen we beter vermijden. Toch blijft mijmeren een onontbeerlijke bron van kunst.

Rudy Kousbroek was een onvermoeibare promotor van het redelijke verstand. Nochtans werd hij, om het op zijn Kousbroekiaans te zeggen, opvallend vaak overmand door zijn gevoelens, met name het gevoel van weemoed. Het geluid van een oude Franse auto, een foto van een dier, een geur die hem herinnerde aan Indië, en hij was weer even terug, als het ware. Nostalgie is een verlangen, niet zozeer om daadwerkelijk terug te zijn in de verleden tijd, want dat zou absurd zijn, maar om een gevoel uit het verleden terug te vinden; niet hoe het werkelijk was, maar hoe het voelde.

Kousbroek was natuurlijk niet de enige schrijver die werd gebiologeerd door zijn eigen madeleines. Schrijven, schilderen, fotograferen, filmen, het zijn allemaal manieren om dingen die voorbijgaan terug te roepen, vast te leggen, nog een keer leven in te blazen. Wij zijn ons allemaal bewust van die zandloper die eens leeg zal zijn. Vandaar de drift van toeristen om kiekjes te nemen, om iets van de tijd vast te houden, of later terug te zien. Dit wroeten in de herinnering noemde Kousbroek „mijmeren”. Hij ried mij weleens aan meer te mijmeren. Ik was, in mijn schrijven, voor zijn gevoel misschien te afstandelijk, te Hollands kil.

Nostalgie is niet altijd zonder risico. Het kan leiden tot sentimentaliteit, tot kitsch. De letterlijke betekenis van nostalgie is ‘pathologische heimwee’. Heimwee is vaak kitscherig: denk aan Duitse heimatkunst, al die schilderijen van boerse onschuld. Mijmeren over het verloren paradijs is vaak een verlangen naar verloren onschuld, naar puurheid.

Het kinderparadijs wordt dikwijls voorgesteld als de pure natuur, een Arcadië waar mens en dier in vriendschap en vrede met elkaar leven. In het geval van Europese kinderen die hun kinderjaren doorbrachten in de tropen, voordat zij werden verbannen naar een spartaanse kostschool in Engeland of de gure straten van een Nederlandse stad, kon men zich dat Arcadië heel concreet voorstellen. Het tropische Eden is warm en vruchtbaar, een weelderige tuin vol dieren, bloemen en palmbomen, waarin de kinderlijke onschuld wordt bewaakt door lieve, zorgzame baboes, die zachtjes liedjes zingen in het Maleis of Chinees, terwijl de muggen op een afstand worden gehouden door een wuivende klamboe.

Zo moet het paradijs van Adam en Eva er ook een beetje hebben uitgezien, behalve dat niemand, God noch Adam, Eva, of de slang, echt mijmert. Een typisch christelijke interpretatie van het verhaal is dat het verlies van onschuld, zodra Adam en Eva van de appel hebben gegeten, wijst op de zondigheid van de mens. Kennis van goed en kwaad, schaamte over de menselijke driften, worden voorgesteld als een val, een straf voor onze oerzonde. Door kennis te vergaren, steekt de mens God naar de kroon, en daarom is verbanning uit het paradijs een onvermijdelijke sanctie.

Een minder moralistische interpretatie is ook mogelijk. In het paradijs is de mens niet meer dan een dier. Een mens is pas een mens, en geen dier, als hij zich bewust is van zichzelf, en van de eindigheid van elk leven. God heeft Adam en Eva weliswaar afgeraden om de appel van de boom te eten, maar dat hoeft niet te betekenen dat zij, of wij, gebukt moeten gaan onder een gevoel van schuld. Ik zie verbanning uit het paradijs eerder als een vorm van ontgoocheling en dus verlichting. Gelovige mensen vinden deze vorm van verlichting vaak een schande, een voorbeeld van hybris. Kousbroek vond dit zeker niet. Maar hij kon het mijmeren niet weerstaan. Hierin was hij niet meer dan menselijk. Want behalve de kennis van onze eindigheid, is het verlangen terug, nostalgie, een bijproduct van onze verlichting.

Maar het verlangen terug kan wel in de weg staan van de werkelijkheid. Of, anders gezegd, het kan ons ervan weerhouden om de werkelijkheid helder te zien. De meest oppervlakkige vorm van deze weigering is de neiging om het verleden te idealiseren, om het te zien als een zoetsappige kerstkaart, door net te doen alsof vroeger alles écht puur en mooi en schattig was. Hoe vaak lezen we niet, na een aanslag op een publieke figuur, een terreurdaad, of een onbezonnen oorlog, dat het land zijn onschuld heeft verloren. De Verenigde Staten, bijvoorbeeld, zouden hun onschuld hebben verloren na de aanslag op president John F. Kennedy in 1963, of de Vietnamoorlog, of wat al niet meer. Dit veronderstelt dat er ooit een pure staat van onschuld zou hebben bestaan, vóór de lynchpartijen op zwarten, voor de Amerikaanse Burgeroorlog, voor de slavernij, voor de uitroeiing van de Indianen. Helaas is dit idee van nationale verloren onschuld niet alleen in de VS wijd verbreid. Denk aan de paniek in Nederland na de moorden op Fortuyn en Van Gogh.

Pure onschuld is een fictie, net als de pure natuur van Arcadië. De droom van onschuld en zuiverheid wordt pas gevaarlijk als mensen worden opgehitst tegen een vijand die de zuiverheid bezoedelt. Antisemitisme berust al eeuwenlang op een dergelijke waan. De bloedsmaad dat joden hun paasbrood bakken met het bloed van christen-kinderen is een voorbeeld: joden als de vijand van christelijke onschuld. Onder de nazi’s wordt het beeld van bezoedelde zuiverheid een ideologie die is ontleend aan romantische fantasieën en aan quasiwetenschappelijke theorieën. De fantasie is nostalgisch, het pure Duitse volk, de middeleeuwse romantiek, de deugdzame boeren, etcetera. De quasiwetenschap betreft rassenleer, schedelstructuren, Joden als kwaadaardige bacillen die de gezondheid van het Germanendom van binnenuit aantasten. Het spreekt vanzelf dat om de zuiverheid te beschermen, en de weg terug te vinden naar een ideaal verleden, die bacillen moeten worden vernietigd. Waar het hier om gaat, is dat de Duitse volksaard wordt voorgesteld als onschuldig, onbezoedeld, eerlijk, naïef, ruraal, haast dierlijk. Joden zijn stedelijke parasieten, oververfijnd, cynisch. In de antisemitische verbeelding worden Joden vaak geassocieerd met kritiek, of wetenschap. Zij weten te veel – net als Adam en Eva. Daarom moest wat de nazi’s ‘Joodse wetenschap’ noemden, worden verbannen, en de wereld van cultuur gezuiverd van Joodse critici, schrijvers, journalisten, kunstenaars.

Het is altijd gevaarlijk om parallellen te trekken met de nazi’s, omdat dit zo vaak te kwader trouw wordt gedaan, als een manier om intellectuele tegenstanders monddood te maken. Niet alle religieuze extremisten, ook niet alle radicale islamisten, zijn nazi’s of fascisten. Maar er zijn overeenkomsten. Ook religieuze extremisten, zoals wijlen Osama Bin Laden en zijn aanhangers, dromen van een paradijs van puur geloof, onbezoedeld door heterodoxe gedachten. In dit verloren paradijs wordt niet nagedacht of gediscussieerd. Iedereen gelooft hetzelfde en is onderworpen aan dezelfde God. Bewoners van dit heilige Arcadië hebben nog nooit gehoord van die appel van kennis, laat staan ervan gegeten.

De overeenkomst met de nazi’s is de notie dat de bezoedelaars, de zondigen, de afvalligen, de andersdenkenden of andersgelovigen, moeten worden uitgeroeid om de weg naar het paradijs weer te vinden. Nostalgie, in deze vorm, is een recept voor barbarisme.

Nu is het niet zo dat nostalgie zich uitsluitend richt op tempo doeloe of denkbeeldige paradijzen. Mensen kunnen ook goed mijmeren over ervaringen die objectief bekeken helemaal niet leuk waren. Soms is ook dit een illusie, iets mooier voorstellen dan het was. Ik meen me te herinneren dat Kousbroek zelf weleens heeft gewezen op de neiging van sommige overlevenden uit de jappenkampen om te doen alsof de gevangenen allemaal zo vreselijk aardig voor elkaar waren, aardiger dan in het gewone leven. Hij moest hier geloof ik niets van hebben. En dat is hem niet altijd in dank afgenomen.

Persoonlijke ervaringen zijn natuurlijk subjectief, en het kan best zijn dat de een meer saamhorigheid in de kampen heeft gezien dan de ander. Maar mij gaat het om iets anders. Ook een subjectief slechte ervaring kan een bron zijn van gemijmer. Engelse mannen uit een bepaalde klasse denken dikwijls met grote weemoed terug aan hun kostschooljaren. En dat terwijl de meeste kostschoolervaringen verre van aangenaam waren. Het eten was meestal bar, de klaslokalen waren koud, de leraren sadistisch en de pesterijen van ouderejaars haast ondraaglijk. En toch, die merkwaardige nostalgie. Ik citeer uit het dagboek van Harry Kessler, de Duitse estheet met een Britse moeder, die eerst alle ontberingen moest lijden van een Engels internaat in Ascot, en daarna die van een Pruisische officiersopleiding in Potsdam. Hij keerde op latere leeftijd terug naar Ascot, waar hij eens werd getergd door Engelse kostschooljongens, en hij schrijft: „Ascot en Postdam verschaffen mij de gelukkigste herinneringen van mijn leven… en dat terwijl ik juist in Ascot en Postdam de meest intieme en virulente nood heb geleden. Maar ik zou de meeste zorgeloze en zelfs heerlijkste momenten van mijn leven geven om nog een keer die mengeling van pijn en plezier te kunnen proeven.”

Nu is ook dit natuurlijk persoonlijk. Niet iedereen deelt met Kessler de smaak voor pijn en plezier. Maar het is een vorm van nostalgie die vaker voorkomt. Het is niet voor niets dat kostschooljongens, studenten, of soldaten zo veel belang hechten aan ontgroeningsrituelen. Ik heb het idee dat meer mensen mijmeren over het gedeelde leed van hun ontgroening dan over de ellende die zijzelf aan andere groenen hebben toegebracht. Ook dat zal wel voorkomen, maar waarschijnlijk alleen bij sadisten. Misschien dat het verhaal van saamhorigheid in de kampen niet helemaal op onzin of illusies berust. De gedeelde intense ervaring schept een band, althans in de herinnering. En daar gaat het hier om.

Net als aan andere vormen van nostalgie zijn ook aan deze vorm risico’s verbonden. Mijmeringen over persoonlijke ervaringen op het internaat, in het kamp of de kazerne doen geen kwaad. Collectieve nostalgie naar gedeelde smart is gevaarlijker, vooral wanneer daarbij ook gevoelens van ressentiment en wraak een rol spelen. Men zou hier tegenin kunnen brengen dat het in dit geval niet echt gaat om nostalgie, omdat geen enkele gemeenschap terug verlangt naar vervolging of massamoord. Dat is natuurlijk zo. Maar de nostalgie betreft niet het historische leed zelf, maar de saamhorigheid van de collectieve herinnering.

Er is veel geschreven over de zogenoemde identity politics, ooit begonnen in de VS en voor een deel overgewaaid naar Europa. Identiteit is in de loop van de laatste veertig jaar steeds meer in de plaats gekomen van klassenstrijd. De strijd voor een internationaal proletariaat is min of meer opgegeven. Sinds de jaren zestig gaat het meer om de strijd voor collectieve belangen van groepen die zich op etnische, religieuze, seksuele of culturele gronden onderscheiden van de meerderheid.

Het probleem, vooral in Amerika, is dat culturele of religieuze verschillen dreigen te vervliegen in de smeltkroes. Daarom ontstaat er bij veel mensen een nostalgie naar datgene wat zij achter zich hebben gelaten. Maar omdat er weinig inhoudelijks is overgebleven van die oude identiteit, in de zin van geloof, taal, of cultuur, valt men steeds meer terug op verhalen, of legenden, van historisch leed. Vandaar de onsmakelijke wedloop om het kampioenschap in het slachtofferschap. Joden hebben hun Holocaust, dus waarom zouden de Armenen, de zwarten, de Indianen of de Chinezen ook niet zoiets hebben?

In deze vorm van identiteitspolitiek wordt het verleden een dogma, waarover geen discussie meer mogelijk is. En als er bovendien sprake is van een aartsvijand, kan dit leiden tot nieuw geweld. De bloedigste etnische zuiveringen in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog vonden plaats in Bosnië, uitgevoerd in naam van een verloren veldslag in 1389, toen Serviërs door een Ottomaans leger werden overrompeld. Niet dat Slobodan Milosevic, Radovan Karadzic of Ratko Mladic anders zouden hebben gehandeld zonder die beruchte slag bij Kosovo in 1389, maar het collectieve zelfmedelijden van de Serviërs, de nostalgie naar gedeelde smart en vernedering, heeft bijgedragen aan de wraakzucht die de Servische leiders bewust hebben gebruikt om het volk op te hitsen.

Er zijn dus goede redenen om nostalgie te wantrouwen. Identiteitspolitiek, het ziekelijke verlangen naar de heimat, kitsch en ressentiment zijn allemaal uitingen van nostalgie die we beter kunnen vermijden. En toch blijft de hogere vorm van mijmeren een onontbeerlijke bron van kunst.

Nederlands-Indië, de heimat van Kousbroek, bestaat niet meer. Maar zelfs als die nog wel bestond en alles nog intact was, het internaat, het ouderlijk huis, de tuin, de dieren, dan nog was er geen weg terug, want de volwassen schrijver is niet meer het kind dat ooit in dat paradijs speelde. Wat overblijft, is de herinnering, die natuurlijk ook weer verandert met de tijd. En de herinnering komt pas weer tot leven als zij wordt opgeschreven, geschilderd, of verfilmd. De enige weg terug is de kunst. Dat wist Homerus. Dat wist Kousbroek. En daarom leven zij voort zolang de mensen kunnen lezen.

Ian Buruma is een Brits-Nederlandse schrijver. Dit is de bekorte versie van de Rudy Kousbroek-lezing, die hij gisteravond uitsprak in de Rode Hoed in Amsterdam. De integrale tekst komt in nummer 3 van De Gids.