Hongeren als heilig ideaal

Geschiedenis

Hoe hebben we in de westerse wereld de afgelopen eeuwen aangekeken tegen mensen die zichzelf uithongeren? Een tentoonstelling in het Leidse Boerhaave Museum laat het zien.

‘Catharina van Siena drinkt het bloed uit de zijwonde van Christus’, onbekende meester, olieverf op paneel, eerste helft zeventiende eeuw
‘Catharina van Siena drinkt het bloed uit de zijwonde van Christus’, onbekende meester, olieverf op paneel, eerste helft zeventiende eeuw collectie Klooster der Dominicanen, Sint- Amandsberg

Vasten en religie horen bij elkaar, maar het is nog niet eens zo gemakkelijk om precies te zeggen waarom. In het boek Het Gewichtige Lichaam noemen psychiater Walter Vandereycken en psycholoog Ron van Deth, die de geschiedenis van de eetstoornis anorexia nervosa bestudeerd hebben, een aantal opties. Voedsel zou vatbaar zijn voor demonische krachten; vasten houdt dus rein. Hongeren (of afzien van bijvoorbeeld alcohol of vlees) is een vorm van zelfkastijding, van boetedoening. Het is ook een manier om het lichaam te disciplineren. Wie goed kan vasten, heeft zichzelf onder controle. Die bezwijkt niet voor aardse verleidingen, maar benadert een hoger, geestelijk ideaal.

In de begindagen (lees: -eeuwen) van het christendom werd nog vroom een derde deel van het jaar (gedeeltelijk) gevast. Dat werd minder naarmate de jonge religie populairder werd, al keerde een kleine groep zich ook toen al af van het aardse leven om zich aan God te wijden – en daar aten ze weinig bij.

Vanaf de twaalfde eeuw werd religieus vasten plotseling opnieuw populair, met name onder vrouwen. Leven op louter hosties was zelfs iets waar je beroemd mee kon worden. Uiteraard vielen verscheidene van deze ‘wondermeisjes’, die beweerden nooit voedsel nodig te hebben, door de mand: ze bleken stiekem tóch te eten en te poepen. Anderen, zoals Catharina van Siena (14de eeuw) wilden niet zozeer beroemd worden door te vasten, maar meer controle krijgen over hun eigen leven: niet hoeven trouwen, maar het klooster in en een opleiding krijgen.

De Kerk had een wat ambivalente houding tegenover de hongerende vrouwen. Sommigen (zoals Catharina van Siena) werden uiteindelijk heilig verklaard. Aan de andere kant werd opzichtig vasten beschouwd als ‘misplaatste zelfverheffing’. De Kerk had ook liever dat het contact met God via háár liep, in plaats van rechtstreeks, zoals deze vrouwen beweerden. Bovendien was extreem vasten in strijd met de leer: God had de mens immers goede dingen gegeven om van te genieten.

Vanaf de zestiende eeuw, mede dankzij reformatie en contrareformatie, werd dan ook geleidelijk anders aangekeken tegen de dwangmatige hongeraars. Het heilige ging eraf, maar extreem magere mensen lieten zich nog wel tegen betaling bewonderen. En daarnaast begon de medische wetenschap zich met magerzucht te bemoeien.