Hier komt de polderbever

Biologie

De bever herovert Nederland, nu ook Flevoland. De dieren hebben nu eenmaal graag diep water voor de deur – en een stevige bos hout, natuurlijk.

Bevers houden van wat dieper water, met veel bomen en struiken langs de waterkant.
Bevers houden van wat dieper water, met veel bomen en struiken langs de waterkant. Foto Natura

Bijna twee eeuwen nadat de laatste wilde bever in ons land werd doodgeknuppeld, zitten er nu voor het eerst weer bevers bij Zalk. Op eigen houtje teruggekeerd naar het dorpje aan de IJssel. Stroomafwaarts vanuit de Gelderse Poort, of stroomopwaarts vanuit de Flevopolders? “Wij zeggen natuurlijk dat hij bij ons vandaan komt”, zegt ecoloog Jeroen Reinhold van Landschapsbeheer Flevoland lachend, “maar onze Gelderse collega’s claimen hem ook.”

Anders dan in de Biesbosch en in de Gelderse Poort, waar de bever (Castor fiber) met veel tamtam werd geherintroduceerd, trok de Flevobever op eigen initiatief de polder in. In de winter van 1990-’91 ontsnapten drie voortvarende pioniers uit Natuurpark Lelystad. “Terugvangen lukte niet meer en ze hielden zich prima”, vertelt Reinhold. “Uiteindelijk zijn er nog een paar dieren bij gezet, anders krijg je inteeltproblemen.” Nu zitten er meer dan honderd in de Flevopolders, de populatie groeit jaarlijks zo’n twintig procent.

Het landschap van de Flevopolders lijkt speciaal ontworpen voor de bever. Zijn verspreidingskaart heeft precies hetzelfde ruitjespatroon als de waterwegen in de polders. De meeste bevers blijven dichtbij de kanalen. Ze houden van wat dieper water, dat niet snel dichtvriest, met veel bomen en struiken langs de waterkant, zodat ze niet te ver het land op hoeven.

Ze knagen wilgenbomen om en trekken met hun tanden stukken schors eraf om op te eten. Takken dienen ook als bouwmateriaal. De meeste dieren leven in familieverband. Ze jongen elk jaar of om de twee jaar. Eenmaal gesetteld in hun burcht, een grote takkenhoop met modder erop, gebruiken ze die jarenlang.

Reinhold: “Je ziet ze ’s avonds uit hun hol tevoorschijn komen. Dan zitten ze heel nieuwsgierig naar je te kijken en zwemmen zelfs naar je toe. Als ze het dan toch maar niks vinden, klappen ze met hun staart op het water om alarm te slaan en vluchten weg. Vaak kun je ze tot op een meter of tien benaderen. Vissers die rustig langs de oevers zitten zien ze regelmatig voorbij zwemmen.”

Naast knaagsporen zie je soms ook ‘wissels’, modderige paadjes, waar bevers aan land komen, bijvoorbeeld om een stuwtje in een kanaal te passeren. Dammen bouwen ze hier nauwelijks. Dat heeft alleen nut in stromend water. Bevers bereiken hun hol, met hun jongen, via onderaardse gangen, waarvan de opening liefst altijd onder water moet blijven zodat er geen roofdieren naar binnen kruipen. In Limburgse beken met wisselend waterpeil bouwen bevers net stroomafwaarts van hun burcht soms grote ‘stuwdammen’ om het waterpeil op te stuwen. In Flevoland is dat niet nodig, de kanalen zijn al diep genoeg.

Beveradvieswerk

Sinds 2000 brengt Landschapsbeheer Flevoland de beverburchten systematisch in kaart. In het begin werden soms beverburchten vernield bij oeverwerkzaamheden van waterschap en provincie. Een in het groen verscholen burcht werd per ongeluk weggemaaid. Bij het uitdiepen van een oever werd bagger op de kant gezet boven op een beverburcht. Burchten verdwenen bij het afvlakken van steile oevers om ze natuurvriendelijker te maken. “Dat gebeurt nu gelukkig niet meer”, zegt Reinhold. ”

Oeverbeheerders zoals Waterschap Zuiderzeeland, Provincie Flevoland en groeigemeenten zoals als Almere en Lelystad hebben alle burchten nu in hun digitale geo-informatiesystemen. Bij werkzaamheden worden wij tevoren om advies gevraagd.” Speciaal voor de bevers heeft de Provincie Flevoland sommige oevers juist weer wat steiler laten maken. “En die oevers zijn nu inderdaad bewoond. Bevers hebben graag diep water voor de deur, zodat de tunnel naar de ingang van hun hol altijd veilig onder water blijft. Natuurvriendelijke oevers zijn mooi, maar er moet wél variatie in het landschap blijven.”

Jaarlijks doen meer dan 30 vrijwilligers mee aan simultaantellingen om de bevers in de Flevopolders te volgen. Er zijn drie teldagen. In juni, als de zomeravonden op hun langst zijn, telt men van half negen tot elf uur ’s avonds. Dit wordt herhaald in juli, als ook de jongen buiten te zien zijn. Vorige zomer werden 69 volwassen en halfvolwassen bevers geteld, plus negen jongen. Aangenomen dat de helft van de dieren zich tijdens de telling niet laat zien, zouden er 138 bevers in de Flevopolders leven. In februari of maart, als de bomen nog kaal zijn, zijn burchten en knaagsporen goed te zien. Dan kijken de tellers of de oude burchten nog bezet zijn en of er nieuwe bouwsels bijgekomen zijn. Vorig jaar telden ze 36 bewoonde burchten en twee mogelijk bewoonde burchten. Als in elke burcht gemiddeld drie dieren leven, bedraagt de stand minstens 108 bevers.

Het aandeel van de jonge dieren in de populatie daalt nu licht vergeleken met de eerste jaren van explosieve populatiegroei. Vorig jaar werden twee verkeersslachtoffers gemeld. Afgezien van het verkeer hebben volwassen bevers nauwelijks vijanden. Gezinnen hebben elk hun eigen territorium. Soms verwonden de mannetjes elkaar bij vechtpartijen. “Bij Almere is eens een jonge dode bever gevonden die vol bijtwonden van rivalen zat, maar dat is uitzonderlijk”, zegt Reinhold.

Beverbeleid

Levert die groeiende beverpopulatie geen problemen op? Angst voor een dijkdoorbraak is onnodig. Reinhold: “Op zo’n dijk staan geen bomen, dus dijken interesseren hen niet. Ook schade aan landbouwgewassen blijkt in de praktijk geen probleem. We krijgen wel eens meldingen van knaagschade aan laanbomen, maar dat is te voorkomen met wat gaas er omheen.”

De Flevopolders bieden volop voedsel, maar geschikte woonplekken zijn schaars. In kanalen met steile damwanden hebben bevers niets te zoeken, maar het flauwe talud van een natuurvriendelijke oever is ook niet optimaal. Op plekken waar bevers ongewenst zijn, of waar de dieren gevaar lopen, bijvoorbeeld in de buurt van drukke wegen, kunnen oeverbeheerders inrichtingsmaatregelen nemen om de dieren te weren. Bijvoorbeeld door er geen bomen te planten en het talud heel flauw te maken, misschien zelfs met gaas erin. “De bever is een strikt beschermde diersoort, ” aldus Reinhold. “Maar door de juiste inrichtingsmaatregelen te treffen kunnen oeverbeheerders heel goed bepalen waar ze de bevers wel of niet willen hebben.”

Intussen stoomt de bever op richting Dronten en Biddinghuizen. Baggerdepot IJsseloog in het Ketelmeer is al bewoond. “Maar Oostelijk Flevoland en de Noord-Oost-Polder zijn wat minder aantrekkelijk bij gebrek aan de combinatie van bos en diep water”, zegt Reinhold. “Ze kunnen beter nog even doorzwemmen.” Bijvoorbeeld richting Zalk.