Het grote talent gaat telkens weer verloren

Drie Nederlandse profploegen in de Tour de France, vierde op de wereldranglijst van wielerlanden, steeds weer nieuw talent. Tot klassiekerwinst leidde het nog niet.

Gek werd Michael Boogerd ervan, in het voorjaar van 1999. Maandenlang zichzelf afbeulen, honger lijden, leven op de limiet. Het Nederlandse wielrennen zat in de lift. Maar altijd bleef er die ene, irritante vraag: wanneer gaan jullie eindelijk eens een grote wedstrijd winnen? Zelfs na zijn eindzege in Parijs-Nice en een tweede plaats in Luik-Bastenaken-Luik hield het niet op. In de Amstel Goldrace, toen nog de laatste van de voorjaarsklassiekers, was slechts één ding goed genoeg: winnen. Jan Raas in de volgauto, Boogie mocht geen meter op kop in een ontsnapping met Lance Armstrong. „Godverdegodver”, schold Raas. Maar Boogerd won wel. Eindelijk.

Dertien jaar later wijst veel op een nieuwe bloeiperiode voor het Nederlandse wielrennen. Lieuwe Westra won dit voorjaar een bergrit in Parijs-Nice, Michel Kreder en Thomas Dekker wonnen in kleinere koersen, Niki Terpstra de semiklassieker Dwars door Vlaanderen. Bauke Mollema, Johnny Hoogerland en Wout Poels blonken bergop uit. Middenin het klassieke voorjaar staat Nederland vierde op de wereldranglijst – vorige jaren was dat ternauwernood top tien. Voor het eerst sinds 1992 mogen dit jaar drie Nederlandse ploegen starten in de Tour de France: Rabo, Vacansoleil en Argos-Shimano. Maar in de aanloop naar de Amstel Goldrace, zondag de enige Nederlandse klassieker, is ook die ene vraag dezelfde als in 1999: wanneer gaan de Nederlandse renners eindelijk weer eens een grote koers winnen?

„De kans is helaas heel klein dat een Nederlandse renner de Goldrace wint”, stelt ex-bondscoach Egon van Kessel, nu ploegleider van het Russische RusVelo. „Een gedoodverfde winnaar hebben we gewoon niet meer. Alleen als alles een keer meezit, kan een Nederlander misschien nog eens een grote klassieker winnen.” De kille cijfers geven Van Kessel gelijk. Na Servais Knaven (Parijs-Roubaix) en Erik Dekker (Amstel Goldrace) in 2001 won geen Nederlandse renner meer een voorjaarsklassieker. Elf jaar lang geen winst in Milaan-Sanremo, Gent-Wevelgem, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Amstel Goldrace, Waalse Pijl of Luik-Bastenaken-Luik. Nul keer raak uit 74 kansen.

„Jullie hebben toch een heel goede lichting renners”, vindt de Belg Johan Museeuw. De voormalige klassiekerkoning prijst meteen de opleiding van de Raboploeg, zoals veel buitenlandse ploegleiders sinds de start van het Rabo Wielerplan in 1996 jaloers toekijken naar de constante aanvoer van talent. „Nederland staat er wat dat betreft beter voor dan België”, zegt Museeuw. „Wij hebben niet het budget dat Rabo al zoveel jaar aan de opleiding kan besteden. Dus kunnen jullie bouwen aan een stabiel piramidesysteem, dat steeds weer goede renners oplevert.”

Maar waarom dan geen winnaars in de klassieker? „Misschien ontbreekt het jullie een beetje aan wielercultuur”, zegt een andere Belgische topper in ruste, Eric Vanderaerden. „Bij ons had je Merckx, dan De Vlaeminck, dan Vanderaerden, dan Museeuw en nu Boonen en Gilbert. Er zijn altijd toppers, België kan niet zonder. In Nederland zit er meer tijd tussen. De Goldrace is ook geen Ronde van Vlaanderen hè? Minder historiek, minder cultuur.”

Boogerd won de Goldrace acht jaar na zijn voorganger Frans Maassen. Nu duurt het wachten op de opvolgers van Boogerd, Dekker en Knaven al veel langer. „Dat waren grote renners, met een enorme gedrevenheid”, zegt Museeuw. „Zeker Boogerd stond er ieder jaar opnieuw. Ik ga niets zeggen over de jeugd van nu, daarvoor ken ik ze niet goed genoeg. Maar of ze dezelfde passie hebben? De wielersport heeft geen geheimen. Passie en hard werken, dan komen de resultaten echt wel.”

Ontbreekt in het welvarende Nederland bij de jeugd het karakter om succesvol te zijn in een extreem zware sport als wielrennen? „Dat is echt een lulverhaal”, zegt Van Kessel. „Aan het karakter van de jeugd kan het niet liggen. Waarom presteren we bij de vrouwen wel goed? Zelfde achtergrond, zelfde opvoeding. Zijn wij maar een klein landje? Onzin, België is kleiner. En Nederland is nummer twee van de wereld in het voetbal, mondiaal de grootste sport. Dan moet je in elke andere sport in principe ook top kunnen zijn. Zeker in het wielrennen, in een fietsland als Nederland.”

Als bondscoach deed Van Kessel een paar jaar geleden uitvoerig onderzoek naar de oorzaak van het ontbreken van grote winnaars bij de profs. Conclusie? De structuur van de opleiding, waarbij al het geld en de grote talenten naar de opleidingsploeg van Rabobank gaan, deugt niet. „Wat ik toen heb voorspeld, komt helaas allemaal uit”, zegt hij deze week bij de start van de Brabantse Pijl in Leuven. „Jongens bij Rabo krijgen te vroeg het idee dat ze een geweldenaar zijn. Ze krijgen alles wat ze hebben willen, alles wordt voor ze geregeld. Ze hoeven niet naar school, hoeven niet te werken. Dan gaat het mis. Dat zie je gebeuren, iedere keer weer.”

Rabobank countert Van Kessels visie met steeds nieuw toptalent. Na Thomas Dekker kwamen Lars Boom en Robert Gesink, toen Bauke Mollema en Steven Kruijswijk, dit seizoen Wilco Kelderman (21). „Bij hem zal hetzelfde gebeuren als bij zijn voorgangers”, pareert Van Kessel. „De laatste tien jaar hebben we vijf coureurs van de buitencategorie gehad: Niels Scheuneman, Thomas Dekker, Kai Reus, Lars Boom en Robert Gesink. Dat waren de mannen die nu in de grote wedstrijden met Boonen, Cancellara of Gilbert hadden moeten concurreren. Maar dat is niet zo, om diverse redenen. Het grote talent gaat steeds opnieuw verloren. Boom staat als enige nog overeind, na Parijs-Roubaix. Al zal ook hij zich moeten verbeteren qua toewijding.”

Maar het vierde land op de wereldranglijst moet toch een keer een grote klassieker kunnen winnen? „Wij gaan internationaal de strijd aan met onze subtoppers: Lieuwe Westra, Niki Terpstra, Sebastian Langeveld, Bauke Mollema, Johnny Hoogerland, Rob Ruijgh, Wout Poels. Stuk voor stuk best wel talentvol, maar niet zo goed als de echte toppers van hun generatie. Ze hebben niet de Rabo-opleiding gehad, knokken en strijden ervoor, hebben lef en komen op die manier nog heel ver. Maar de kans blijft klein dat je zonder dat bijzondere talent iets heel groots gaat winnen.”

Drie ploegen van Tourniveau vergroot wel het aantal kansen voor jonge renners op een plek in het profpeloton. Maar winst in een klassieker? De rijke Raboploeg mist nu het elan uit 1999, dat leidde tot de verlossende zege van Boogerd. „Wij zijn een middenmotor”, stelt ploegleider Nico Verhoeven. Eerder dit voorjaar uitte zijn meer ervaren collega Adri van Houwelingen zich al zeer kritisch over de instelling van de eigen renners. Gesink, in 2009 nog derde, is in de Goldrace niet sterk genoeg om het kopmanschap te dragen. Ook de vrijbuiters van Vacansoleil bevestigden de laatste wedstrijden niet de uitstekende indruk van het vroege voorjaar. En bij Argos-Shimano staan de Nederlanders in de schaduw van buitenlandse kopmannen.

„Jullie hebben geen Boonen of Gilbert”, stelt Museeuw. „Maar bij ons won vorig jaar Nick Nuyens de Ronde van Vlaanderen en Johan Vansummeren Parijs-Roubaix. Zulke renners zijn er in Nederland ook, Mollema is een goeie.” Vanderaerden wijst op de statistiek. „Het moet er weer eens van komen.” Dat lijkt nog het beste argument voor een Nederlandse klassiekerzege.