Opinie

Genoeg geld voor het onderwijs

Goed nieuws deze week – Nederland is weer een beetje beter geworden in onderwijs, onderzoek en innovatie. Dit blijkt uit het jongste rapport van de Kennis en Innovatie Agenda, een club die de kenniseconomie beoordeelt op zestig verschillende punten. Een aantal conclusies uit dat rapport: er is minder schooluitval, er zijn minder zwakke scholen, Nederlandse academici zijn bijzonder productief, relevant en invloedrijk en onze universiteiten staan internationaal aan de top. Het resultaat is dat Nederland op een wereldwijde onderwijs- en innovatieranglijst steeg van de achtste naar de zevende plaats. We staan nog onder Singapore, Zwitserland, Zweden, de Verenigde Staten en Finland, maar gelijk met Duitsland, Japan en Denemarken.

Toch blijven we op één punt immer achterlopen: investeringen. De Nederlandse overheid geeft, vergeleken met de andere toplanden, bitter weinig uit aan onderwijs en onderzoek. Denemarken, Zweden, Finland storten stuk voor stuk bakken geld in het onderwijs. Nederland komt niet verder dan het gemiddelde van de Europese Unie.

Je zou natuurlijk een gat in de lucht kunnen springen. We doen mee in de top, zonder de kapitalen uit te geven die worden uitgegeven in Scandinavië. Elke euro wordt in Nederland blijkbaar uitermate effectief besteed. Je zou Duitsland als voorbeeld kunnen stellen. Die geven nog veel minder uit, maar hun kenniseconomie doet het uitstekend.

Zo werkt het dus niet. Als je voorzitter bent van de Kennis en Innovatie Agenda, zoals Alexander Rinnooy Kan, dan noem je die efficiëntie „achterblijvende investeringen”. Eerder zei hij: „Nederland is een treurige middenmoter en gaat nu verder afzakken, terwijl om ons heen anderen wel investeringen en visie weten te realiseren.”

Toen begreep ik het ineens. Over onderwijs denken we net zo als over ontwikkelingshulp. Het gaat om de uitgaven. Met de uitgaven toon je dat je erom geeft. In alle andere publieke sectoren gaat het om prijs-kwaliteitverhoudingen. Als je op zorg of infrastructuur kunt bezuinigen, omdat het efficiënter kan, zijn we blij. Bij ontwikkelingssamenwerking is dat niet zo. Ook al kun je dezelfde hoeveelheid hulp aanschaffen met minder geld, dan nog vindt men niet dat je erop mag bezuinigen. Die 0,7 procent van het bruto binnenlands product is niet rationeel. Het is een geloofsbelijdenis, als een muntje in een vijver.

Zo lijkt het ook te worden in het onderwijs. Puur met geld smijten wordt positief beoordeeld. In het rapport van Rinnooy Kan zouden theoretisch alle onderdelen een tien kunnen krijgen, maar zou hij nog steeds somberen over het feit dat we er zo weinig aan uitgeven. Rond onderwijs heerst de vreemde overtuiging dat altijd maar méér uitgeven ook altijd méér oplevert, dat je nooit genoeg miljarden euro’s ertegen stuk kan slaan, dat het áltijd dom is om erop te bezuinigen.

Het zijn dogma’s. Natuurlijk heeft goed onderwijs een gunstig effect op allerlei maatschappelijk belangrijke gebieden. Hoger opgeleide mensen zijn minder crimineel en gezonder en ze doen minder beroep op uitkeringen. Toch bleek uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat veel meer geld niet altijd slimmere studenten oplevert. Tussen 1995 en 2009 stegen de uitgaven per basisscholier met 50 procent. Hoewel de inspectie vooruitgang zag, gingen de prestaties van de kinderen niet meetbaar vooruit.

Natuurlijk zaten de onderwijzers meteen in de hoogste boom. Inderdaad, basisonderwijs is meer dan leerprestaties alleen, maar toch – je moet wel heel erg je best doen om helemaal niets te merken in de prestaties van leerlingen van 50 procent meer budget. Is het denkbaar dat er ook genoeg geld naar onderwijs kan gaan?

Maakt u zich niet ongerust. De kans is klein dat premier Rutte daadwerkelijk zal bezuinigen op het basisonderwijs. Hij zou de geschiedenis ingaan als de allerdomste premier aller tijden. Uiteindelijk gaat het niet alleen om de resultaten. Het gebaar vinden we ook belangrijk.