Euthanasie uitstellen tot , dat kan echt niet na de tennismatch

Euthanasie wordt niet alleen in de film geromantiseerd. Ook met het effect op de dokter, die alle wensen moet uitvoeren, wordt geen rekening gehouden, vindt Anne-Mei The.

Opnames voor de verfilming van het toneelstuk De Goede Dood, met Huub Stapel, Wilbert Gieske, Will van Kralingen, Pieter Tuinman en Hans Thissen. Het verhaal over de laatste uren voor de euthanasie van een familielid wordt opgenomen in en om een huis in Aerdenhout.
Opnames voor de verfilming van het toneelstuk De Goede Dood, met Huub Stapel, Wilbert Gieske, Will van Kralingen, Pieter Tuinman en Hans Thissen. Het verhaal over de laatste uren voor de euthanasie van een familielid wordt opgenomen in en om een huis in Aerdenhout. Foto Bram Budel

Sterven doe je samen, concludeert Coen van Zwol in zijn artikel ‘Sterfscènes a la Jan des Bouvrie’ (NRC Handelsblad, 7 april), waarin hij Nederlandse euthanasiefilms bespreekt. Met ‘samen’ bedoelt hij evenwel niet de dokter. In de films is de dokter niet meer dan een instrument. Hij geeft de verlossende spuit als het de patiënt uitkomt. Ietsje eerder, ietsje later? Het maakt de dokter niet uit. U vraagt, wij draaien. De euthanasiearts is nuchter en professioneel.

Ik weet wel beter. Sinds twintig jaar doe ik onderzoek naar euthanasie en het levenseinde. Voor mijn boek Verlossers naast God, over de geschiedenis van euthanasie in Nederland, sprak ik talloze artsen.

Ik wil graag wat scènes tegenover dat ‘sterven doe je samen’ zetten, gezien vanuit het perspectief van de arts.

Mijn patiënt was een bekende Nederlander die ervan hield om te provoceren met zijn bekendheid, vertelt een huisarts in mijn boek. Toen de man terminaal ziek werd, wilde hij euthanasie. De arts was bereid dit te doen. De patiënt verzette de sterfdatum enkele keren. Uiteindelijk werd het definitieve tijdstip bepaald. Toen de arts de dag ervoor belde, zei de patiënt geïrriteerd dat negen uur in plaats van acht was afgesproken. De arts vroeg zich af waarom de man per se een uur later dood wilde. De euthanasie verliep goed, maar was emotioneel. Toen de arts in gedachten verzonken naar buiten liep, schrok hij van de flitsende camera’s en de filmploeg. Een uur later bracht het NOS Journaal het bericht dat de patiënt was overleden. De patiënt had de media gewaarschuwd. Was dit de reden van het uur uitstel?

Een huisarts vertelt hoe hij uit ervaring leerde geen spreekuur meer te houden na een euthanasie. Hij heeft tijd nodig om de gebeurtenis emotioneel te verwerken. Hij plande eens een euthanasie op een vrijdagmiddag. Daarna zou hij met zijn gezin een weekend weggaan. Toen de arts om twee uur bij de patiënt kwam, zat deze op de bank te kijken naar het tennistoernooi van Wimbledon. Het was enorm spannend, zei de man. Of de dokter het goed vond om de set nog even uit te kijken. De huisarts knikte en ging naast zijn patiënt zitten. Hij realiseerde zich dat het tijdstip van het geven van de dodelijke spuit volledig werd bepaald door twee tennisspelers.

Een andere huisarts vertelt dat het voorkwam dat de hele huiskamer volzat met familie en vrienden die bij de euthanasie aanwezig wilden zijn. Dat doet hij niet meer. „Ik zeg nu dat ik later terugkom als al die mensen weg zijn”, zegt de arts. „Ik heb geen zin in een hele huiskamer vol met mensen met een bord Chinees eten op schoot die kijken hoe ik de patiënt doodmaak.”

In films wordt het moderne euthanasiesterfbed neergezet vol liefde en warmte met familie en vrienden. Gemakshalve worden de emoties van de arts buiten beschouwing gelaten. Dit is niet vreemd. Het Nederlandse euthanasiebeleid wordt gekenmerkt door een juridisch perspectief en de zogenoemde smalle moraal. ‘Is euthanasie toegestaan? En zo ja, onder welke omstandigheden?’

Terecht constateert Van Zwol dat het debat hooguit gaat om casus, procedure en protocol. Hierin passen geen twijfel, emoties van professionals en geproblematiseer.

Ik ben niet tegen euthanasie, maar ik verzet me ertegen dat er nauwelijks kritiek op mag worden geuit. Tegenstanders worden gemarginaliseerd. De sfeer was en is dat euthanasie ‘moet kunnen’. In mijn boek beschrijf ik dat artsen zich hiervan bewust waren en beseften dat het geen zin had ertegen in opstand te komen. In de geseculariseerde samenleving waarin taboes moesten worden doorbroken, was euthanasie – om de woorden van de historicus James Kennedy te gebruiken – een onvermijdelijke ontwikkeling.

Ik verzet me ook tegen het versnipperde debat rond het levenseinde. Zo is er niet alleen controle over het tijdstip van de dood (euthanasie), maar ook over de levensfase daarvoor, waarin door de toenemende medische technologie de dood wordt uitgesteld. Zo hekelde geriater Jos Slaets in deze krant het oprekken van levens die eigenlijk al klaar zijn. Bestuursvoorzitter Marcel Levi van het Academisch Medisch Centrum zei in de media dat artsen soms te lang doorbehandelen, met weinig winst en veel ellende voor de patiënt tot gevolg. De verbinding met de care en beslissingen rond het levenseinde wordt niet gelegd, hoewel cure en care onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Langer leven, bijvoorbeeld door operaties of chemotherapie, kan gepaard gaan met meer lijden, met moeilijker doodgaan en dus met de wens om euthanasie, maar ook met afhankelijkheid van schrale thuis- en verpleeghuiszorg, met eenzaamheid of met het gevoel dat het leven zinloos is. Dit leidt dan weer tot een construct van de Uit Vrije Wil-beweging, die vindt dat ouderen boven de zeventig zelf hun leven moeten kunnen beëindigen, ongeacht hun medische toestand.

In het krachtenveld van de medische technologie met enerzijds de mogelijkheid de dood uit te stellen en anderzijds de behoefte aan controle over het tijdstip van de dood is er te weinig aandacht voor de moed en het gemoed van de dokter. Hij is het die met de patiënt en diens familie de grenzen van de behandeling moet aanduiden en durven bespreken. Hij moet inschatten of er sprake is van een echte doodswens en moet de verlossende spuit toedienen.

Investeren in genezing staat niet op zichzelf en is niet vrijblijvend. Hierbij hoort het besef dat mensen langer leven en dat dit consequenties heeft. Hoe gaan we zorgen voor al die mensen met toegenomen individuele levensbehoeften en steeds complexere aandoeningen? Nadat kosten noch moeite in het ziekenhuis zijn gespaard, kunnen we toch niet zeggen dat er geen geld is voor het zo kostbare, verlengde leven in het verpleeghuis, of ontkennen dat er een verband kan bestaan tussen de beroerde omstandigheden in de langdurige zorg en ‘dood willen’? Het past in het moderne, versnipperde denken om hierbij niet stil te staan.

In de zorg staan we voor serieuze kwesties: vergrijzing, betaalbaarheid, arbeidsmarkt en dilemma’s rond het levenseinde, zoals euthanasie bij dementie. Hierbij ontbreekt een overstijgende blik. We moeten de moed hebben de vraag te stellen of we alle beschikbare technologie willen gebruiken en we moeten ook durven niet te (be)handelen. Hiervoor moeten we met z’n allen – artsen, patiënten, verzekeraars, farmaceutische industrie, politiek en burgers – verantwoordelijkheid nemen. Anders gaan we ten onder aan ‘de vooruitgang’.

De dood en de weg ernaar toe moeten we bespreekbaar maken. Dit zijn misschien wel de laatste taboes die moeten worden geslecht.

Anne-Mei The is auteur van Verlossers naast God en In de wachtkamer van de dood. Ze is mede-initiatiefnemer van De Werkvloer Centraal, Martha Flora en de interactieve film Alzheimer Experience. Ook is zij lector Palliatieve Zorg.