Een losgeslagen schoolklas in Brussel

Auteur: Martin Visser Titel: De eurocrisis. Onthullend verslag van politiek falen Uitgeverij: Business Contact ISBN: 9047004817, 240 blz., €19,95

De vorige vergadering van de ministers van Financiën, eind maart in Kopenhagen, was een pijnlijke vertoning. Als ze niet een steviger noodfonds zouden optuigen, zou het IMF niet meer meebetalen aan leningen voor ‘programmalanden’ als Griekenland, en zouden financiële markten de eurozone aan stukken kunnen rijten. De ministers wisten dit. Ze wisten exact wat hen te doen stond. Toch kregen ze het niet voor elkaar.

Iedereen wilde een groot fonds, maar Duitsland durfde dat niet aan de kiezers te verkopen. Niet nu, althans. En zonder Duitsland zijn de andere eurolanden nergens: het is ongeveer de enige motor in de eurozone die goed functioneert. Dus deden ze net alsof ze een groot noodfonds in elkaar hadden gezet. Ze telden er geld bij op dat al was uitgegeven. Ze rekenden het bedrag om in dollars, zodat het méér leek. En tot overmaat van ramp maakten ze ook nog ruzie over wie het aan de pers mocht vertellen.

Dit voorval haalde het net niet meer in het boek van Martin Visser, Brussels correspondent van Het Financieele Dagblad. ‘De eurocrisis. Onthullend verslag van politiek falen’ was toen al verschenen. Maar ministersvergaderingen gaan váák zoals die in Kopenhagen, en dit boek staat er vol mee.

Het is een chronologisch verslag van tientallen ministersvergaderingen en toppen van Europese regeringsleiders die Visser versloeg sinds de eurocrisis eind 2009 begon. Veel daarvan hebben meer weg van een losgeslagen schoolklas dan van volwassen besprekingen van leiders die op een verantwoordelijke manier proberen de problemen op te lossen.

Nergens beantwoordt Visser de vraag of deze leiders in staat zijn om ons door de crisis te leiden. Maar hij beschrijft zo gedetailleerd hoe de politici er in elke fase van de crisis in slagen om níet te doen wat ze zouden moeten doen – of too little, too late –, dat hij impliciet het antwoord toch geeft: nee.

Visser schetst de huidige generatie politici als gevangen tussen markten en kiezers. Ze denken maar aan één ding: de volgende (nationale) verkiezingen winnen. Dit verklaart waarom ze voortdurend dingen zeggen, en doen, die ze vervolgens moeten corrigeren.

Geen geld voor Griekenland? Die leningen kwamen er toch – en niet alleen voor Griekenland. Maar Athene moest wél veel rente betalen, anders was er moral hazard. Intussen gingen die rentes drastisch omlaag, want ze maakten de Griekse schuld alleen maar hoger. Eerst was herschikking van die schuld taboe. Maar later kwam die er toch. En beleggers betaalden mee – al was hen eerst beloofd van niet.

Door dit permanente gezigzag, schrijft Visser, maakten politici de crisis alleen maar erger. „Het is niet meer dan logisch dat beleggers, banken en bedrijven steeds meer gingen twijfelen aan de inzet van de regeringsleiders.” Niet de euro is zwak, maar het management zwabbert. Jammer, want dat zorgt ervoor dat de vele maatregelen die ze intussen genomen hebben, hun effect deels missen.

Hoewel Visser simpele taal gebruikt, zullen sommige lezers moeite hebben met zijn chronologische aanpak. Je hobbelt van de ene moeizame nachtelijke vergadering in Brussel naar de andere. De ene keer heeft Trichet een woede-aanval, de volgende keer droogt De Jager een collega af. De emoties druipen van de muur. Steeds doen de politici het tegenovergestelde van wat hun adviseurs, de technici, hen aanraden.

Rutte en De Jager, die Visser op de voet volgt, zijn hier geen uitzonderingen op – integendeel. Zijn diagnose is halverwege het boek al duidelijk: Europa mist leiderschap, Europa heeft leiders nodig met een visie die verder strekt dan de komende verkiezingen.

De kracht van het boek is dat het die conclusie erin ramt, zonder dat Visser ook maar een moment cynisch wordt: hij blijft droogjes beschrijven wat hij ziet, soms zelfs geamuseerd. Met één vraag blijft de lezer echter zitten: hoe kon hij begin 2011 geloven dat het dieptepunt van de crisis geweest was?