Dromen van een zee vol draaiende windmolens

Nederlandse energiebedrijven staan te popelen om windmolenparken aan te leggen op zee. Maar Nederland raakt achterop bij de buurlanden: die investeren terwijl het kabinet-Rutte doelstellingen terugschroeft en subsidies stopzet. Slot van een drieluik over de exploitatie van de Noordzee.

Het OWEZ-windmolenpark van Nuon voor de kust bij IJmuiden.
Het OWEZ-windmolenpark van Nuon voor de kust bij IJmuiden. Foto Rien Zilvold, NRC Handelsblad

Groene techneuten dromen van een Noordzee vol windmolenparken. Geen afhankelijkheid meer van fossiele brandstoffen, geen uitstoot meer van schadelijke broeikasgassen. Maar een zee vol draaiende wieken die wind omzetten in schone energie.

Bewoners van de kustgemeenten moeten er niet aan denken dat de zon straks ondergaat in een woud van windmolens. De gemeente Noordwijk is fel tegen de komst van een Eneco-park, 23 kilometer uit de kust, dat voorlopig de naam Q10 heeft. Maar de eerste bodemmonsters zijn al genomen en de aanleg van het park – dat met een capaciteit van 129 megawatt (43 windmolens) 135.000 huishoudens van stroom kan voorzien – lijkt slechts een kwestie van tijd.

Katwijk maakt zich zorgen over de mogelijke aanleg van een Nuon-park met 93 windmolens (het Beaufort-park), dat 325.000 huishoudens van stroom moet gaan voorzien.

In het Nederlandse deel van de Noordzee draaien nu twee windparken. In IJmuiden zijn ze er al een beetje aan gewend dat er bij helder weer heel in de verte contouren van windmolens te zien zijn. Het zijn de zestig molens van het Prinses Amalia-windpark op 23 kilometer uit de kust.

Ook vanuit Egmond aan Zee zijn vaak de 36 molens van Nuon te zien. Het is het OWEZ-park (Offshore Wind Egmond aan Zee) van elektriciteitsbedrijf Nuon – onderdeel van het Zweedse Vattenfall en Shell.

Rijkswaterstaat heeft vergunningen afgegeven voor nog eens twaalf parken. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze er ook echt komen. Stroom uit windparken op zee is duur en kost tussen de 13 en 20 cent per kilowattuur (kWh) , dat is ruim drie keer zoveel als stroom uit kolencentrales. De regering-Rutte geeft voorlopig geen subsidie meer. De duurzaamheidsdoelstelling voor 2020 is aangepast van 20 procent duurzame energie naar 14 procent.

Terwijl Nederland volgens Remco Boersma, offshore-wind-expert van Nuon, wel alles heeft wat er nodig is voor windenergie op zee. Een on-diepe zee waar je gemakkelijk kunt bouwen, veel wind, en een goed elektriciteitsstelsel. Maar Nederland raakt steeds verder achterop bij Duitsland en Groot-Brittannië.

Duitsland heeft, volgens Boersma, wel oog voor de lange termijn en steunt de industrie bij het ontwikkelen van offshore-techniek. Ook Groot-Brittannië maakt haast met de aanleg van windmolens op zee. De Britten verlenen concessies en laten de verdere aanleg over aan de vrije markt. Het vergunningensysteem is veel minder omslachtig dan in Nederland. In een rapport dat de Rabobank dit voorjaar samen met persbureau Bloomberg uitbracht, wordt het overheidsbeleid in Groot-Brittannië voor de offshore wind adequaat genoemd, en in Duitsland zelfs goed. Nederland krijgt een slechte kwalificatie: „De politieke steun is zwak, het risico voor ondernemers is hoog.”

Daarom is Nuon vooral bezig met grote projecten in het Duitse en het Britse deel van de Noordzee. „Van Nederland alleen kunnen we niet bestaan”, vertelt Boersma op een boot onderweg naar het park bij Egmond.

De Nuon-boot vaart midden tussen de 36 turbines, monopiles, die ongeveer 20 meter onder het wateroppervlak in de zeebodem staan. Voor de scheepvaart en de visserij is dit gebied strikt verboden. Het gevaar bestaat dat de scheepvaart onverhoeds kabels kapot trekt. In de verte staat een turbine stil. Er ligt een onderhoudsbootje voor.

De andere 35 turbines draaien langzaam rond bij matige wind. De ideale windkracht voor windmolens op zee ligt tussen de 4 en 9. Als het harder waait worden de molens stilgezet.

Het OWEZ-park produceert 108 megawatt, nog geen 4 procent van de 3.000 megawatt die voor het Nederlandse deel van de Noordzee op stapel staat. De aanlooptijd is lang. Het proces is moeizaam. Het duurt tien jaar voor er na de eerste schetsen een park staat.

En het is dus duur. „Op dit moment is dat nog zo”, geeft Boersma toe. „Maar je kunt de prijs van windenergie op zee niet vergelijken met de prijs van stroom uit een afgeschreven kolencentrale.” Hij vindt dat je pas eerlijk kunt vergelijken als je denkt in termen van duurzaamheid. „De echte vraag is welke prijs we willen betalen voor een duurzame energiemix, waar windenergie een onderdeel van is.” Boersma denkt dat 10 procent in 2020 reëel zou zijn.

Mede door de steeds grotere energievraag uit landen als China, India en Brazilië, en de slinkende voorraden, loopt de prijs van olie en gas op. Terwijl de productie van duurzame energie door technologische ontwikkelingen goedkoper wordt. Boersma voorspelt dat de dalende lijn van de prijzen van duurzame energie en de stijgende lijn van de olie- en gasprijzen elkaar op een bepaald moment zullen kruisen. „En dan valt de vergelijking heel anders uit.”

Maar voorlopig blijft de financiering van windenergie op zee het grote probleem. De grote elektriciteitsbedrijven als Eneco en Nuon doen de windparken op zee „erbij”. Typhoon Capital heeft een ander model gekozen. Dit groene investeringsbedrijf heeft een vergunning om een windpark van 600 megawatt (MW) met 150 turbines aan te leggen op 55 kilometer ten noordoosten van Schiermonnikoog.

Deze vergunning heeft het gekocht van het Duitse Bard, dat in de financiële problemen was geraakt. Het gemeentelijke nutsbedrijf HVC (waarin 52 gemeenten verenigd zijn) participeert voor 15 procent in dit project en zal straks groene stroom uit het windpark betrekken. Met dit Gemini-project is 2,5 miljard euro gemoeid.

De filosofie is simpel. Typhoon offshore, een dochter van Typhoon Capital, organiseert alles tot aan het begin van de bouw. Van vergunningen, financiering, ontwerp, tot en met de aannemers. De financiering komt voor minstens de helft van bedrijven en private beleggers. De rol van de banken is beperkt tot maximaal 50 procent.

Begin 2011 sloot het investeringsbedrijf een overeenkomst met Van Oord voor de bouw, binnenkort wordt duidelijkheid verwacht over de levering van de turbines. Directeur Michael van der Heijden: „Het is onze ambitie om de Noordzee te benutten als groene accu. Wij willen 4.000 MW aan zeewindparken bouwen, tot 2020. Gemini is het eerste. Het windpark staat er eind 2015.”

Komende zomer hoopt Typhoon Offshore een derde aandeelhouder aan te trekken, die het grootste deel van de exploitatie voor zijn rekening neemt. Dan komt ook de 4,4 miljard euro aan subsidie vrij die de overheid in het verleden heeft toegekend voor de exploitatie en die wordt uitgesmeerd over een periode van maximaal 15 jaar. Die subsidie is cruciaal om de prijs van de elektriciteit die de windmolens produceren concurrerend te maken. Ook het Q10-project van Eneco, dat nog voor de kust van Noordwijk moet worden aangelegd, kan nog rekenen op 1,2 miljard subsidie.

Intussen staat de offshore-industrie te trappelen om in de windparken op zee aan de slag te gaan. Er worden nieuwe, krachtiger turbines ontwikkeld. In 2002 hadden de turbines een kracht van 3 MW, was de rotordiameter 90 meter en waren de wieken 45 meter lang. Volgens de European Wind Energy Association (EWEA) komen er volgend jaar al turbines op de markt van 10 MW met een rotordiameter van 170 meter, en wieken van 85 meter lang.

Ook in het ontwikkelen van funderingen, afhankelijk van de bodemgesteldheid en de plaatselijke milieu-eisen, is een hele industrie ontstaan. Hetzelfde geldt voor de elektrische infrastructuur op zee en de aansluitingen op land.

De elektriciteitsbedrijven willen stopcontacten op zee waar verschillende windparken op kunnen aansluiten. Zodat windenergie goedkoper en efficiënter kan worden aangeboden. Of zelfs een ‘super grid’ dat de netwerken van de landen rond de Noordzee met elkaar verbindt en zo voor een stabiele en duurzame energie zorgt.

En dan is er nog de behoefte aan speciale schepen voor de installatie en het onderhoud van de windparken. En aan havens die op al deze activiteiten zijn ingericht.

De sprong naar de zee zou niet alleen veel groene energie kunnen opleveren, maar ook werkgelegenheid. Maar dan moeten de landen rond de Noordzee wel zorgen dat ze Azië voor blijven. China investeert sinds enige tijd massief in de ontwikkeling van windenergie en Korea staat klaar om alles te produceren wat er nodig is. Het initiatief verplaatst zich naar Azië. Typhoon Offshore heeft voor de zekerheid maar vast een kantoor geopend in Korea. Remco Boersma van Nuon beaamt: „De Chinezen en Koreanen staan inderdaad aan het hek te rammelen.”