‘De vrouwenschoot is helend’

Hugo Camps bundelde zijn interviews met vrouwen. ‘Jullie zijn zoveel geraffineerder’, zegt hij tijdens een lunch met korenwijn

en champagne.

Hugo Camps: ‘Ik laat alleen het verdriet toe dat het waard is.’
Hugo Camps: ‘Ik laat alleen het verdriet toe dat het waard is.’

Champagne?”

Half één. Le Bistro De La Mer in Knokke. Hugo Camps, columnist van dagblad De Morgen en NRC Handelsblad, oorlogsverslaggever, sportjournalist en interviewer van weekblad Elsevier, neemt zelf een korenwijntje. Hij vraagt me naar buiten te kijken om te aanschouwen hoe het plein wordt aangeveegd. Knokke maakt zich mooi voor het weekend. „Dan hebben we hier vijftienduizend inwoners meer.” Rijke Hollanders die het weekend in hun tweede huis doorbrengen.

Hugo Camps woont aan de ‘goede kant’ van het dorp. De goedkope kant. De kant die hij, gepensioneerd broodschrijver met alimentatieplicht, kan betalen. „Een huis met een tuintje en een garage. Duizend euro huur per maand.”

Zachtoranje pullover, de kleur komt subtiel terug in een streepje van zijn hemd eronder, korte baard, ogen waarin een traan lijkt klaar te liggen.

Hij strijkt over zijn trui als ik hem complimenteer met de kleur. „Mijn vrouw kleedt me”, zegt hij. De laatste acht jaar is Martine zijn vrouw. „Zij laat mij niet onverzorgd de deur uitgaan.” Maar „de verlopen kop, die puilende buik” blijven. „Het vervult me met weerzin.” Ineens fel: „Maar denk niet dat ik er ooit iets aan zal doen.”

Hugo Camps wordt soms gehaat om zijn scherpe woorden in zijn dagelijkse column. „De fout is dat men mijn columns leest als ware het hoofdartikelen. Columns bestaan bij de gratie van de uitvergroting. Provocatie. Ik val alleen aan wie ijdeltuiterig is, fundamenteel sta ik aan de kant van de hinkende mens. Als ik onbedoeld kwets, betuig ik spijt. Want ik ken spijt.”

Hij neemt me het stellen van de vraag uit handen. Hij lijkt te weten wat er van hem wordt verlangd. „Ik zou mijn dochters spijt moeten betuigen. Ik heb het al eens gedaan, maar niet overtuigend.” Hij scheidde van hun moeder toen Eva twaalf was en Sandra acht. „Ze werden groot zonder mij. Hun verliefdheden ontgingen mij. Op weekendbezoek bij mij viel er iets uit Eva’s tas. Ze was aan de pil, zonder het mij te vertellen. Ik zweeg. Laf. Liever ontliep ik de gedachte dat vreemde jongens aan haar lichaam prutsten.” Hij heeft spijt dat hij haar toen niet behoedde voor foute mannen. En nu kan het niet meer. „Ik heb zelf van mijn liefdesleven een chaos gemaakt. Dus wat kan ik zeggen?”

Als om hem te troosten zeg ik dat pubermeisjes nou eenmaal niet alles delen met hun vader. Zijn dochters zijn nu 42 en 38. Als hij hun leeftijden noemt, ontglipt me dat ik zijn dochter zou kunnen zijn. Hij valt even stil. Zou hij nu van binnen aan het zoeken zijn naar een ander gevoelsregister? Eindelijk zegt hij: „Dat vertedert mij toch wel.” Vlak daarvoor had hij nog onder tafel gekeken en gezegd dat het jammer was dat ik geen stilettohakken aan had. „Een randje vulgair mag toch wel.”

Een beetje verliefd

Hugo Camps wordt bewonderd om de mooie, on-Hollandse zinnen in zijn interviews. Daar is hij een andere man, zegt hij. „Dienstbaar, je richt je op de ander. Cijfert jezelf zoveel mogelijk weg. Het is een vorm van streling die ik dan toepas. Ik moet een beetje verliefd worden.”

Hij lijkt het verloop van de middag alvast te schetsen. „Het gaat erom wie het langst kan zwijgen. Wie houdt het het langste vol?” Ik houd me vast aan de wetenschap dat hij zijn column nog moet schrijven. De krant verwacht zijn driehonderd woorden om een uur of vier.

Eind deze maand verschijnt zijn boek Grote vrouwen, met daarin twintig vraaggesprekken die hij sinds 1986 had. De dochter van Jacques Brel, de vrouw van Guy Verhofstadt, advocate Britta Böhler, schrijfster Franca Treur. Hij luistert aandachtig als ik hun namen uit de inhoudsopgave voorlees. De uitgever maakte de selectie, niet hij. „Ik heb alleen gezegd: neem de vrouwen, dat is genoeg.” Want? „Vrouwen hebben de sleutel in handen, zij houden de boel recht, zij sturen hun mannen ter revolutie. Ik heb ontzag voor hen. Te beginnen bij mijn moeder.”

Ik onderbreek hem om te vragen of het zoveelste bundelboek hem eigenlijk iets kan schelen. Hij antwoordt dat het hem ontroert. „Een krant is zodra je hem leest eigenlijk al half dood. Een boek heeft iets tactiels. Iets erotisch.”

Laat ons, zegt hij dan, tutoyeren. Ik beloof dat ik het zal proberen en vraag of hij ‘je’ zegt tegen zijn geïnterviewden. „Nooit”, zegt hij. „Zeker niet als het vrouwen zijn.” Het geven van een interview, zegt hij, betekent het verlies van intimiteit. „Het minste wat ik kan doen, is ze beleefd tegemoet treden. En ze een fatsoenlijk diner aanbieden.”

Hugo Camps ontvangt zijn kandidaten bij voorkeur in de brasserie in het Amstel Hotel in Amsterdam. Nu hij zelf mag kiezen, kiest hij voor zijn vaste tafel in zijn vaste restaurant, waar hij de eigenaar op beide wangen kust, en de gastvrouw aanspreekt met ‘lief’. „Ik ben geen man voor mannencafés. Geen man voor grote groepen. Ik hou van het hoekje.”

Hij kiest asperges, en ik doe mee. Hij bestelt rode wijn en wit voor mij.

Hij grijpt mijn blik en zegt: „Weet je waarvan ik kan dromen?” Nou? „Hopscheuten.” Dat is, zegt hij, het allerlekkerste wat er bestaat. „Je kunt ze drie weken per jaar eten, het seizoen is net voorbij. Gepocheerd eitje erbij. Mousselinesaus. Waanzinnig duur. En je kunt het met je pink eten, zo weinig ligt er op je bord. Drie maanden op voorhand begin ik ernaar te verlangen.”

Hij at ze altijd met Hugo Claus. De schrijver, en zijn beste vriend. Hij overleed in 2008.

„U bent verdrietig?”

Nors: „Ik laat alleen het verdriet toe dat het waard is.”

Ik zwijg net zolang tot hij zegt: „Ik mis die man.”

Hij neemt vlees, ik vis. Hij nog een rode wijn, ik wit. „Jij zult het wel belachelijk vinden”, begint hij. „Maar niets kan mij meer troosten dan wanneer ik mijn hoofd in de schoot van een vrouw leg. De vrouwenschoot is helend.” Hij herhaalt het nog eens. „Helend.”

Hoe tragisch dat zijn moeder juist daar ziek was. Kanker in haar baarmoeder. „Ik ben een deel van een tweeling. In een driftbui heeft mijn vader mij eens verweten dat er bij mijn geboorte iets is misgegaan.”

Haar ziekte was uw schuld?

„Ze zeggen het. Het waren de oorlogsjaren, er was geen morfine, geen medicijn. Ze had een elektrisch kussentje dat ze altijd tegen haar buik hield. Ik durfde haar niet aan te raken. Bang om haar nog meer pijn te doen.”

En wie is de andere helft van de tweeling? „Mijn zusje. Zij is sterker dan ik. Zij is niet gescheiden, zij doorstaat het leven wel en vindt ook nog de kracht voor haar broertje te applaudisseren.” Hij ziet haar zelden. „Ik kan het niet opbrengen op visite te gaan en grote gesprekken te voeren. We eten twee keer per jaar samen. Dat moet van Martine. Maar ik denk elke dag aan haar. Ik ben een half weeskind. Zij woont in mij.”

Internaat

Op zijn negende ging hij naar het internaat. Zijn zusje mocht na een jaar weer thuis wonen, hij bleef. „Ik moest behoed worden voor een leeg en zinloos leven. Mijn vriendjes rookten shag, gingen naar de kermis en de kroeg en werkten bij de travaux, de spoorwegen. „Maar ik moest het beter krijgen.” Hij zegt dat ik me niet kan voorstellen hoe erg het was. „Alleen in mijn chambrette, omringd door mannen. Ontdaan van alle zachtheid. Geen enkele streling. Om de zes weken mocht je een weekeind naar huis. Op zondagavond, voor ik met de bus weer terug moest, ging ik naar het stationscafé in ons dorp. Daar waren een jukebox en drie vrouwen om mee te dansen. Slowen. Ik bleef van vijf tot acht en dronk één colaatje. De laatste dosis vreugde die ik mezelf kocht voor vertrek.”

Hij wil graag dat ik een toetje neem. Ik aarzel. Hij dringt aan. Ineens galmt hij: „Laat je niet zo hinderen door het geloof. Leef, vrouw!” Ik kies haastig de crème brûlée. Hij neemt niks. Alleen nog een rode wijn, ook al dronk hij de vorige twee glazen niet leeg. „Ik verdraag de kilte niet.” Hij bedoelt de kilte van het katholicisme. „De schande dat ik het sacrament van het huwelijk schond, de kermis van wanhoop en uitbuiting die ik in Lourdes zag, als ik met mijn moeder meeging om genezing te vragen.” Alsof het groot nieuws is, zegt hij: „Weet je dat ik mijn moeder nooit naakt heb gezien. En mijn dochters ook niet?”

Ik zeg dat ik dat niet zo heel raar vind. Dus zegt hij: „Ook later, telkens als er een nieuwe mevrouw was, zei ik: ga jij al maar naar bed. Onder de lakens. Ik kom zo.”

Ik informeer of hij zo langzamerhand niet eens aan zijn column moet beginnen. Hij zegt dat hij wacht tot ik klaar ben. Bovendien heeft hij, toen hij net buiten een sigaret ging roken, de krant gebeld om te zeggen dat het vandaag wat later wordt. Ik vraag of hij daar niet zenuwachtig van wordt. Hij wrijft over zijn buik. „Het begint langzaam te bruisen.” Zijn column is, zegt hij, deel van zijn bioritme geworden. „Mocht ik niet schrijven, dan was het leven nutteloos. Tegelijk is mijn stukje mijn alibi om niet te hoeven leven. Om telkenmale te zeggen: ik moet me nu echt even terugtrekken, de krant wacht op mij. ”

Zijn vader leerde hem dat hij niet op aarde is om te leven, maar om te werken. „Ik heb eraan toegevoegd dat je er ook bent om te genieten. Dus als ik mijn werk goed gedaan heb, is het tijd voor een hopscheutje. Is er iets af, dan moet ik geld uitgeven. De duurdere hotels, de betere restaurants, even naar Barcelona. Ja, ik heb altijd boven mijn stand geleefd. En ik heb altijd vrouwen gekozen die daar geen moeite mee hadden.”

Hij priemt zijn vinger over tafel. „Jullie”, zegt hij. „Jullie zijn zo veel geraffineerder.” Hij zegt dat hij het de straf van het opperwezen vindt. Ik zeg dat ik even de draad kwijt ben. Hij verheft zijn stem als een operazanger. „Imbroglio.” Italiaans voor spinnenweb, zegt hij. Metafoor voor ingewikkelde relaties. „Jullie weten wel hoe het moet.” Hij niet. Hij is geen goede vader geweest, geen goede tweelingbroer, de rol van grootvader past hem niet, als echtgenoot probeert hij het nu goed te doen. „Het enige wat overblijft in het leven, heeft met liefde te maken.”

Dan weet u wat u te doen staat, zeg ik.

Hij zinkt terug in zijn stoel, ineens vermoeid. „Vroeger was ik altijd bang dat ik iets zou missen als ik thuis bleef. Onrust joeg me de straat op. Ik heb honderdduizend keer tegen mezelf gezegd dat het om de liefde draaide, ik heb geprobeerd ernaar te leven. Maar het is niet echt gelukt. Pas nu weet ik dat ik niets gemist zou hebben.”

We stappen in zijn Volkswagen Touareg, de auto die hij zichzelf cadeau deed op zijn vijfenzestigste verjaardag. „Mijn eerste eigen auto na een leven lang leaseauto’s.” Door de winkelstraten met winkels van Louis Vuitton en Prada. Langs de Zeedijk. Langs zijn huis. Het loopt tegen vijven. Hij is nu al best een tijdje stil. Bij het station wacht hij tot ik uitstap. Drie zoenen op de wang en één advies. „Volgende keer graag iets grotere oorbellen.”