De laatste der rimboelopers

Biologie Tijdens expedities bracht Ed de Vogel zeven jaar van zijn leven door in het oerwoud. Hij ontdekte honderden nieuwe soorten orchideeën. Maar opvolgers zijn er niet.

Hester van Santen

In het oerwoud van Papoea Nieuw Guinea groeit een orchidee met groengele bloemetjes. De uitstekende lip van de orchidee is bedekt met haren. Zijn naam: Devogelia intonsa. Zou het plantje een Nederlandse naam hebben, dan werd het iets als ‘De Vogels ongeschoren orchidee’.

“In het oerwoud zijn geen kappers”, zegt de man naar wie Devogelia genoemd is. Bioloog Ed de Vogel (69) heeft een volle witte baard, zijn brilmontuur is geplakt met dikke klodders lijm. Hij is juist teruggekeerd van een expeditie van vier maanden in het bos van ‘PNG’, zoals hij het land ten oosten van de Indonesische archipel afkort.

In de tropische kas van de Hortus Botanicus in Leiden hangt en staat zijn oogst: 1.776 orchideeënplanten en -plantjes. “Ik schat dat er 75 à 100 nieuwe soorten bij zijn.” Hij bedoelt: nog onbeschreven, nieuw voor de wetenschap.

De Vogel noemt zichzelf “een van de laatste rimboelopers”. Hij zegt het tegen het einde van het gesprek in zijn werkkamer bij de tropische kas. “Ik denk dat wij tot een uitstervende soort behoren.” Wij, dat zijn de klassieke taxonomen. “We schrijven het woordenboek van de biologie.” Het zijn de mensen die hun leven wijden aan het ontdekken en beschrijven van nieuwe soorten, en het in groepen indelen van organismen.

De Leidse bioloog De Vogel, gepensioneerd medewerker van het Nationaal Herbarium Nederland, is misschien een van de laatsten, maar ook een van de productiefsten in zijn vak. Hij ontdekte honderden nieuwe soorten orchideeën in Zuidoost-Azië en beschreef en documenteerde er vele duizenden. Als dank voor zijn werk vernoemden collega’s er al meer dan tien naar hem – een traditie onder taxonomen. Een opvolger heeft hij niet.

“We staan ’s ochtends op, ik doe mijn koppelriem met veldfles en tasjes om, en we gaan lopen”, omschrijft hij zijn veldwerk in het oerwoud simpel. In totaal bracht De Vogel zeven jaar van zijn leven in het bos door, kamperend en logerend. De expeditie in Papoea Nieuw Guinea waarvan hij twee weken geleden terugkeerde, was zijn vijftiende in het land. Eerder, sinds 1971, deed hij vergelijkbaar werk in Indonesië, Maleisië, Brunei en Thailand.

“We lopen door een bos, over een bergkam of langs een riviertje, en verzamelen wat we tegenkomen. Tijdens een tocht van een week in het laagland vind ik meestal zo’n tien onbekende soorten. In de bergen zijn het er minstens 25 per tocht. En dat wordt niet minder, overal waar ik kom is het wéér zo.”

“Op een steile richel heb ik twee dagen met succes verzameld. De soortensamenstelling leek anders dan toen ik er vorig jaar was. Het is een steile graat die aan één kant verticaal afdaalt naar een riviertje. Op sommige plekken staan wat bomen aan de rand, op andere plekken staat alleen gras. Het pad, 30 centimeter breed, loopt hier en daar 10 tot 20 cm van de rand. Promovenda Stephanie vond er haar eerste Corybas.” (dagboekfragment, 20 januari 2012)

Orchideeën vormen de soortenrijkste plantengroep op aarde. Er zijn 20.000 à 30.000 soorten, waarvan naar schatting 9.000 in Zuidoost-Azië. In een vergeten hoekje van de Leidse tropische kas staan de felroze orchideeën die het tuincentrum verkoopt. “Ja, wij hebben ze ook, die smerige hybriden, die eruit zien alsof ze van plastic zijn”, moppert De Vogel terwijl hij langsloopt.

De orchideeën die hij onderzoekt, zijn anders, en allemaal verschillend. In de Leidse ‘koude kas’ (het is er nu vrij warm en drukkend vochtig) staan er duizenden, en sommige bloeien. Zoals die met naamkaartje ‘KAS 23 930153b’. De frêle bloemblaadjes zijn zo klein als rijstkorrels en dunner dan papier. De paarse strepen erop lijken met een inktpen getekend, de lip die uit de bloem steekt is fel citroengeel. “Dat is ook een onbeschreven soort.”

Het is de allure van bloemen als deze die wereldwijd heel wat mensen ‘gek maakt’ op orchideeën. De Vogel ziet die liefhebbers op de World Orchid Conference en andere congressen – er zijn er die 100 euro voor een zeldzame plant betalen.

Maar voor een plant die hoofden op hol brengt, ogen ze in de Leidse orchideeënkas vrij gewoon en groen. De meeste orchideeën bloeien nu niet, en bijna alle bloempjes zijn kleiner dan een centimeter. Hun delicate schoonheid komt pas tot zijn recht als je er secuur naar kijkt, of ze fotografeert met een sterke macrolens.

De planten staan in potten op tafels en op planken, of groeien hangend aan blokken gedroogde kokosbast. Er zijn er met dikke bladeren van een halve meter lang. Er zijn er met bolletjes in plaats van stengels, met vocht gevuld. De een heeft blaadjes zo groot als tulpebladen, de tweede als wilgebladen, de derde zo smal als lucifers, en er zijn orchideeën die op gras lijken.

Dat orchideeën bijna nooit bloeien als hij ze vindt, is de reden dat De Vogel iets doet wat voor ieder ander verboden is: in zijn koffers neemt hij hele planten mee uit de tropen naar Nederland. “Ik ben de enige die een CITES-exportvergunning heeft voor PNG. We kweken ze hier in de kas op en brengen ze tot bloei.” Orchideeënsoorten zijn alleen te onderscheiden door heel goed – vaak met een vergrootglas of binoculair – naar de bloemen te kijken. ‘In het veld’ is dus niet te bepalen wat wat is. “En als je ze probeert te fotograferen, in de regen, op een boomstam boven een ravijntje, mislukt dat vaak”

“Nou, we weten dat we weer in Lae zijn. Vanochtend namen we een taxi naar het Instituut voor Bosonderzoek. Op weg erheen rende een kerel op de auto af en zwaaide met een pistool. De chauffeur bleef maar ‘sorry, sorry’ roepen en zei dat het pistool vast een speelgoedding was. Toch is het is hier schijnbaar veiliger dan eerst, een paar weken terug waren er rellen.” (28 november 2011)

Dat hij overal waar hij komt nieuwe soorten ontdekt, is niet verwonderlijk. Papoea Nieuw Guinea is bosrijk en bergachtig. De bergkammen, tot 4.500 meter hoog, vormen ook voor planten barrières, zodat elk dal zijn eigen plantensoorten kent. Het hoogland is bovendien slecht toegankelijk. Sinds 1900 hebben maar twee andere botanici op het eiland Nieuw-Guinea op grote schaal orchideeën gedocumenteerd: de Duitser Rudolf Schlechter (in toenmalig Duits Nieuw-Guinea) en de Nederlander Johannes Jacobus Smith die over het destijds Nederlandse deel van Nieuw-Guinea publiceerde.

Verder zijn er alleen kleine orchideeënpublicaties geweest, totdat De Vogel (met de nu eveneens gepensioneerde Art Vogel) in 2003 zijn eerste reis begon. Er gingen jaren van wachten op een onderzoeksvergunning aan vooraf. Het Nationaal Herbarium Nederland (inmiddels opgegaan in biodiversiteitscentrum NCB Naturalis) en NWO financierden de eerste expedities. Sinds De Vogels pensionering betaalt hij ze grotendeels zelf. Het werk is onderdeel van het langlopende internationale project Flora Malesiana, dat de planten van Zuidoost-Azië in kaart brengt.

“Na de lunch het bos in, naar een terrein dat een maand daarvoor was gekapt. Brede moddercorridors door wat eens een fraai bos was. Maar waar waren de orchideeën? Sappelen om een omgehakte boom te vinden waar wat opzat. Het lukte uiteindelijk wel, maar het was scharrig. Taaie Dendrobiums, Acriopsis, geen Bulbophyllum. (4 december 2011)”

Op 2 april haalde De Vogel in Leiden zijn nieuwe orchideeën uit drie koffers. Kasmedewerkers zetten de grondorchideeën in potten; de boomorchideeën werden opgepot in boombast, de hangende aan blokken kokosbast vastgeknoopt. Dat lijkt het meest op hun natuurlijke groeiwijze. Veel orchideeën zijn epifyten: ze wortelen niet in de bodem, maar hechten zich aan de stam of takken van bomen. Hun vocht halen ze uit nevel of regen.

In de kas gaat elke paar minuten een luchtbevochtiger aan die natte damp door de ruimte blaast. Even later loopt een vrouw met paardenstaart alles nog eens langs met een plantenspuit. “Thuis heb ik geen enkele orchidee”, zegt De Vogel alsof dat vanzelf spreekt. “Wie moet ervoor zorgen als ik op reis ben?” Een leek zou ze zomaar te weinig water geven, of te veel.

“Zal ik de cd-rom laten zien?” vraagt de bioloog na twee uur praten. De cd-romserie Orchids of New Guinea (zes delen) is het belangrijkste resultaat van de expedities die De Vogel sinds 2002 in Papoea Nieuw Guinea organiseerde. Hij maakte ze samen met André Schuiteman, ‘senior orchid taxonomist’ bij de Britse hortus Royal Botanical Gardens Kew.

Op de cd’s verzamelden de biologen 200 nieuwe soorten die De Vogel in Papoea Nieuw Guinea ontdekte, plus de 2.516 soorten die eerder beschreven waren. De botanici vertaalden beschrijvingen van de al bekende soorten uit het Latijn, scanden de oude tekeningen van Rudolf Schlechter en anderen in, voegden foto’s toe en kaarten met vindplaatsen. De originele gedroogde planten van de Duitse botanicus konden ze niet meer gebruiken – die gingen verloren bij een bombardement op het Berlijnse herbarium in de Tweede Wereldoorlog. “En er liggen nog 300 soorten op de plank die nog beschreven moeten worden. We komen er haast niet aan toe.”

Het is een bekend probleem. Alleen: er zijn niet veel vakgenoten om te helpen met het werk (zie ook kader), en niet genoeg geld. Op de website van het PNG-orchideeënproject staat in rode letters: ‘Uitbreiding van de serie buiten Nieuw-Guinea is momenteel onmogelijk door gebrek aan sponsoren.’

“De bergen op het schiereiland Huon beginnen wel wat te steil te worden, zeker als je 560 meter omhoog moet op een onmogelijke helling en dan 280 meter naar beneden, ook te steil. Ik hoop het echter nog een paar jaar vol te houden, ondanks de vlooienplaag in onze laatste verblijfplaats in Yawan. Heel vervelend, dat je niet kan slapen en de vlooien over je heen voelt kruipen” (24 januari 2012)

Bij gebrek aan collega’s in eigen land vindt een klein en bont gezelschap van orchideeënkenners elkaar in het verre oosten. Ditmaal reisde De Vogel samen met een promovenda uit Wisconsin (Stephanie Pimm Lyon) en een dove Zweedse biologe Nathalie Simonsson en haar Papoea echtgenoot Foreting Juhonewe.

Die samenwerking zorgt dat hij toch ‘door kan gaan zo lang het kan’, zoals De Vogel wil. “Mijn heup doet het slecht. Stef en Nathalie beklommen Mount Strong om planten te zoeken – die is 3.300 meter hoog, ze haalden bijna de top. Ik bleef in het dal. De dragers kwamen met orchideeën naar beneden en ik deed de administratie ervan.”

Wat drijft iemand om aan het verzamelen van één plantengroep, ver weg en gevaarlijk, zijn leven te wijden? Hij heeft geen bijzondere liefde voor orchideeën, suggereert Ed de Vogel. Een vraag naar ‘zijn favoriete orchidee’ wimpelt hij weg. “We onderzoeken hele plantenfamilies”, zegt hij. Als jonge bioloog had hij zelfs een heel andere liefhebberij: hij verzamelde schelpen, en deed ook dat rigoureus. In zijn studietijd schreef hij, samen met een vriend, een gids van Nederlandse zoetwaterschelpen. “Is 33 jaar lang hét boek daarover geweest.” Hij greep net naast een baan als schelpenconservator en kreeg een promotieplaats in Indonesië – als botanicus. “Toevallig zijn het orchideeën geworden.”

Nee, dat de oerwouden worden omgezet in kale palmolieplantages, dat raakt hem. “En natuurlijk de houtkap. Ja, die orchideeën zijn dan meteen vernietigd. Ik mag vaak het terrein op om er orchideeën te verzamelen. Ik leg vast wat er is geweest.”