Tijdloos modernisme

Joan Temminck, Laurens Geurtz: Copier compleet. Het oeuvre van A.D. Copier 1901-1991. NAi Uitgevers, 520 blz. € 49,50

Wie ooit op het eiland Murano bij Venetië is geweest, weet het zeker. Glasblazen is toveren: er zijn daar mannen te vinden die met een tangetje in drie minuten tijd een steigerend paard met wakkere oren uit een hete klodder kunnen trekken. Andries Copier (1901-1991) kon zich niets poëtischer voorstellen dan dat ‘bellen blazen’. Je geeft adem aan een droom, zei hij ooit.

Copier maakte zo’n 10.000 ontwerpen voor de Glasfabriek Leerdam, later Royal Leerdam. Hij werkte als het ware met een vriendelijke splijtstof, die levenslang explosive in the mind bleef. Hij begon er als jongen van dertien. Met een weekloon van drie gulden voor zes dagen werk – tien uur per dag – spekte hij de huishoudpot van het gezin Copier dat nog negen kleinere Copiertjes telde. In de avonduren nam hij teken- en schilderlessen. Vooral de bloemen en planten die hij schetste keerden geabstraheerd, in kelken, bladvormen en stengels, terug in zijn ontwerpen.

De archieven van de fabriek, het Nationaal Glasmuseum in Leerdam en van de meester zelf hebben nu het kolossale overzicht Copier compleet opgeleverd. Met 3.500 reproducties van gecodeerde glas- en ontbijtserviezen, vazen, kandelaars, karaffen, zuurpotten, hostiedozen, bowl-sets, bloempotten, lampen en herinneringsproducten van historische en koninklijke aangelegenheden. De ontwerp- en werktekeningen zitten er ook bij, net als al het zelf vormgegeven reclamemateriaal, waarmee Copier de binnen- en buitenlandse opmars van het glas dirigeerde en Leerdam waarachtig wereldwijd op de kaart zette. Daarnaast zijn de familie Copier en de fabriek – in voor- en tegenspoed – breeduit in dit boek geportretteerd.

Na zijn militaire dienst keerde Copier terug in de fabriek. Hij werd als groot talent met open armen ontvangen, doorliep verschillende afdelingen en mocht al snel toezicht houden op de productie van kunstnijverheidsglas. Leerdam telde toen zo’n 1100 werknemers die onder meer huishoud-, verpakkings- en sierglas produceerden. Al die sectoren voorzag Copier weliswaar van het ene na het andere ontwerp – van het inktpotje van Talens tot het subtiele, wijdverspreide oranje bevrijdingsvaasje (1945) – maar écht verliefd bleef hij levenslang op het ‘vrije glas’, op het freewheelen met zijn glasblazers. Jaren geleden kon je op rommelmarkten voor een paar guldens een schaal of vaas van hem scoren, dat lukt nu niet meer. Unica van Copier zijn kostbaar. Sommige kunstenaars en andere zzp’ers bouwden er destijds hun pensioen mee op, zeiden ze. Toen heette dat luchtfietserij – nu realiteitszin.

Al in 1927 stelde Copier zijn eerste unica in Stuttgart tentoon. En hij ontmoette daar de architecten – Le Corbusier, Mart Stam, Gropius – van de net opgeleverde Weissenhofsiedlung, de modelwijk van het Nieuwe Bouwen. Hun basic architectuur maakte diepe indruk. Dat wilde Copier ook: geen versieringen meer, maar strakke lijnen en sobere vormen als de bol, de kubus en cilinder. Twee jaar na Stuttgart bracht hij de hier afgebeelde, ongekend moderne, vierkante bloempotten op de markt, vervaardigd in graniver, een nieuw, goedkoop materiaal van veel zand, glasscherven, sikkels en beendermeel.

Copier zou nog veel meer experimenteren met nieuwe materialen en technieken, zoals het iriseren (verweerd maken), craqueleren en in het inwalsen van kleurpoeders. Hij bracht luchtbellen aan in glas, sloot afbeeldingen van vissen in, liet dikke wanden en bodems blazen, stapelde kegels, schijven en bollen tot objecten en ontwikkelde de vitrica, een soort glas in lood. Alles stond in het teken van ‘Het verlokkende nieuwe’. En ‘door het te koopen krijgt u iets van wereldreputatie’, adverteerde hij.

Zo lanceerde Leerdam kort na WO II voor de berooide burger met name het goedkopere persglas dat aan hard plastic doet denken. Het net zo beroemde Gildeglas – met bak, been en voet van het drinkglas op basis van de gulden snede – was al in 1930 in productie genomen. Het feit dat in 1996 het ministerie van Buitenlandse Zaken alle ambassades voorschreef dit glasservies bij diners in te zetten zegt genoeg over Copiers tijdloze modernisme.

Die mateloos energieke jaren twintig en dertig waren bepalend voor de rest van zijn carrière als algemeen ‘Esthetisch Direkteur’. Elke volgende stap, elke tentoonstelling en elke productielijn komt in het boek aan de orde. Ook de figuratieve glaspanelen waarmee bedrijven en passagiersschepen hun trappenhuizen en dinerzalen decoreerden. En ook het 360-delig kristallen servies dat de Nederlandse regering de Britse koningin Elizabeth bij haar huwelijk in 1947 cadeau deed. Neem je de tijd om die talloze volle fotopagina’s te bekijken dan valt op wat er zoal binnenshuis veranderd is. Vrouwen zitten niet meer achter toilettafels met een glinsterend assortiment van odeurflacons, vaporisators, poederdozen en bijpassende prullaria. En wie streeft er nog naar een zoveel-delig drinkservies met bourgogne-, rijnmoezel-, port-, bitter-, cognac-, likeur- en champagne-glazen in het gelid?

Maar volg je in het boek de stroom vazen in meerblauw, annagroen, rouwpaars en primaire kleuren, die – ton- of kegelvormig, uitwaaierend of ‘toegespitst’, als de oud-Perzische equivalenten waar Copier zo van hield – uit de blaaspijp tevoorschijn kwamen dan begrijp je waarom veel mensen werk van deze ‘alchemist’ verzamelen. En waarom er van het wonderbaarlijk mooie boek Copier compleet ooit een ‘Copier nóg completer’ zal verschijnen. Want veel van het ‘vrije glas’ dat Copier vóór zijn pensionering en nog jaren daarna vervaardigde, is nog in onbekend privé-bezit. Dat feit maakt de omvang en veelzijdigheid van zijn oeuvre nog ontzagwekkender.