Indo’s

De moeder van mijn vader, mijn oma, was voor een kwart Javaans. Ze had zes broers en drie zussen. Haar vader had er aardigheid in gehad zijn kinderen alfabetisch te benoemen. Het rijtje weet ik nog uit mijn hoofd. August, Bianca, Caesar, Darius, Eduard, Flora, Gradus, Hector, Irene en, ten slotte, de J sloeg hij over, Kalliope (Tante Opi). Mijn moeder had twee zussen, beiden getrouwd met een planter in ons voormalig Nederlandsch Indië, die we alleen maar zagen als ze met verlof in Nederland waren. Al die familie kwam regelmatig bij ons thuis en riep voortdurend „Ajo!”, „Adoe!” en „Kassian!” Ze konden hun vingers krom naar boven laten staan en ermee knakken. Mijn broer zei, toen een tante dat weer eens deed en ik, zonder te kijken, in een hoekje zat te spelen: „Peter denkt nu dat ze een reepje chocola eet.”

En de gesprekken!

„Clara, jij gaat trassi maken, ja?”

„Ja, gaat wel stinken, hoor!”

„Leo, heb je nou weer je obat obat verrrgeten? Adoe, toch! Te errrrg!”

In hun huizen hingen krissen aan de muur en gebatikte doeken, een tijger van djatihout stond op het buffet. En foto’s. Veel foto’s. „Kijk, Peter, dit is je vader met de djongos op de galerij en dit is je tante Hermien onder de waringin.”

Toen ik dan ook de manifestatie INDOmania op Tweede Paasdag bezocht, had ik een groot gevoel van thuiskomen. Allemaal familie! Allemaal ooms en neven en nichten!

Adriaan van Dis werd er geïnterviewd over zijn tv-programma, waarin hij op zoek gaat naar het land van herkomst van zijn ouders.

Toen ik hem later tegenkwam, riep hij verbaasd: „Wat doe jij hier? Jij bent toch geen indo?”

„Wel degelijk”, gaf ik ten antwoord. Wat bleek?

We zijn allebei voor een zestiende Javaans, terwijl we er al die tijd van overtuigd waren geweest dat de ander een volbloed blanda was.