Lachwekkend maar echt vaartuig

In de rubriek Verdwenen bespreekt Rob Biersma

(bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag: de vouwkano. „Sommige zijn zelfs zeewaardig te noemen.”

Er ontstaat altijd een wat lacherige stemming als omstanders toezien hoe een vouwkano in elkaar wordt gezet. Een berg spichtige stokjes, wat triplex spantjes en een flubberige rubberen huid: moet dat echt een kano worden? Maar eenmaal opgezet is een vouwkano toch een echt vaartuig, waar je heel wat mee doen kunt. Sommige vouwkano’s zijn zelfs zeewaardig te noemen.

In 1928 stak de Duitser Franz Romer de Atlantische Oceaan over met een speciaal voor hem vervaardigde Klepper-vouwkano. In 1956 herhaalde de Duitser Hannes Lindemann dat met een standaardmodel Klepper. Beiden zeilden overigens meer dan ze peddelden.

Rond de Tweede Wereldoorlog beleefde de vouwkano een ware hausse, vooral in Duitsland. Tientallen fabrikanten en fabrikantjes brachten vouwkano’s op de markt met Klepper als onbetwiste marktleider. Deze maakte zelfs opvouwbare zeilboten en speedboten.

Vouwkano’s waren ideaal voor een sportieve vakantie. Tent en kampeerspullen konden er gemakkelijk in. Grote en kleine rivieren afzakken, avontuurlijke tochten langs de kust, lome vakanties aan een meer... alles was mogelijk. In Duitsland waren er in de zomer zelfs speciale kanotreinen met een aparte goederenwagon voor de vouwkano’s, net zoals er in Nederland speciale fietstreinen waren. Miljoenen watersporters hebben in de huiskamer hun eerste vaartuig vertroeteld met bootwas of op het balkon de spantjes bijgelakt.

Het grote voordeel van de vouwkano is natuurlijk dat je hem als bagage mee kunt nemen. In The happy isles of Oceania – paddling the Pacific (1992) beschrijft de Amerikaanse reisschrijver Paul Theroux de teloorgang van de inheemse eilandculturen in de Stille Oceaan als gevolg van het toerisme. Hij nam zijn vouwkano per vliegtuig of veerboot mee. In een kano aankomend maakte hij in een dorp gemakkelijker contact dan met een taxi. Hij beleefde angstige ogenblikken, in z’n eentje overstekend tussen twee eilanden, toen haaien in zijn peddels beten.

Een tweede voordeel is dat een vouwboot zelf ongelooflijke hoeveelheden bagage kan verstouwen. Soms wordt de bagage al tussen de spanten aangebracht voordat de huid eromheen gaat. Of de huid bolt gewoon mee met een iets te grote tent of slaapzak. En tussen de kielspanten liggen de bierblikjes koel: ein Faltbootfahrer führt immer ein’ Kühlschrank mit sich.

Nadelen zijn er ook. Vergeleken met een starre kano, zeker van polyester, is een vouwkano kwetsbaar en onderhoudsgevoelig. En bovenal: hij is meestal erg duur. Vergeleken met een polyester kano kost een goede vouwkano vaak het dubbele. Vandaar ook dat met de komst van de auto en de dakdragers de vouwkano in de jaren zestig snel terrein verloor. Waarom moeilijk doen als je de kano gewoon op het dak kunt meenemen? De meeste vouwkanofirma’s gingen in die tijd failliet. Zelfs de trotse Klepperwerke in Rosenheim konden het niet bolwerken. Alleen voor militaire doeleinden werden nog vouwkano’s gemaakt.

Maar de laatste jaren beleeft de vouwkano een kleine renaissance voor survival-enthousiastelingen en amateuravonturiers. Door toepassing van moderne materialen als duraluminium en moderne kunststoffen zijn ze zelfs betaalbaar geworden. Klepper maakte een succesvolle doorstart, de (Oost-Duitse) Pouch wordt weer gemaakt, er is een Amerikaanse en een Noorse fabrikant actief en in het Duitse Ulm is er zelfs een winkel die uitsluitend Faltboote verkoopt.