De Wit toont onvermogen Kamer

Om de Kamer van invloed te verzekeren beveelt de commissie-De Wit openheid bij crises aan. Wil de Kamer dat? In het Catshuis wordt al weken achter gesloten deuren vergaderd. Over de crisis.

Met het dikke onderzoeksrapport waar anderhalf jaar aan is gewerkt, werd gistermiddag meteen politiek bedreven.

Er kwamen snel scherpe reacties, met name van de politieke flanken. Het rapport van de commissie-De Wit toonde volgens de SP aan dat toenmalig minister Bos (Financiën, PvdA) „misbruik” had gemaakt van het begrip dat de Tweede Kamer in 2008 had gehad bij de aanpak van bankencrisis. De PVV vond dat er bij de redding van de Nederlandse banken „geblunderd” is. De partijen die destijds verantwoordelijk waren, reageerden anders. PvdA en CDA beklemtoonden vooral de conclusie van de commissie dat de vorige regering bij de bankencrisis daadkrachtig en resoluut is opgetreden. PvdA’er Ronald Plasterk wees zijn CDA-collega er op Twitter wel even op dat alle besluiten in nauw overleg met premier Balkenende waren genomen.

Het zwaartepunt van het rapport ligt bij de politieke verantwoordelijkheid die Wouter Bos destijds had, en de ondermaatse informatievoorziening aan de Tweede Kamer. Eén van de meest in het oog springende aanbevelingen van De Wit heeft daar dan ook betrekking op: er moet een informatieprotocol komen dat bij dergelijke crises zal gelden. De artikel-100-procedure, die geldt bij het uitzenden van militaire missies, moet daarbij als voorbeeld dienen Maar zat diezelfde Tweede Kamer er destijds niet bovenop? En heeft de Kamer niet al voldoende middelen om het kabinet te controleren?

De vraag is of een artikel-100-achtig informatieprotocol de problemen oplost. De commissie wil dus voorafgaand aan belangrijke besluiten worden geïnformeerd, net als bij het uitzenden van militairen. Bij een gewone militaire missie kan dat. Dat wordt veel moeilijker als in een weekend, voordat de beurzen weer opengaan, miljardenbeslissingen genomen moeten worden. De commissie lijkt met deze aanbeveling op de stoel van het kabinet te willen gaan zitten. Heeft een kabinet niet juist een goed mandaat nodig om een crisissituatie besluiten te kunnen nemen die het nodig acht? Controle van het parlement vindt dan achteraf plaats. Soms kan dat snel, soms is daar zoals nu een parlementaire enquête voor nodig. Een andere aanbeveling is enigszins in tegenspraak met het voorstel voor een artikel-100-procedure. Voorgesteld wordt ook dat het kabinet bij dergelijke crisisuitgaven een verantwoordingsmemorandum opstelt, waarin achteraf volledige opening van zaken wordt gegeven. Dat voorstel sluit veel meer aan bij de heldere staatsrechtelijke lijn van ‘regering regeert, Kamer controleert.’

Uiteindelijk bepaalt het parlement altijd zijn eigen kracht. Ewout Irrgang maakt in het tweede deel van zijn reactie een belangrijk punt. Hij pleitte er vlak na de bankenredding voor de positie van de Kamer te versterken, maar dat lukte niet „omdat de meerderheid niet wilde doorbijten”.

Het coalitiebelang bepaalt dus de invloed van het parlement. Zit de Tweede Kamer, inclusief de vakministers, dan nu niet lijdzaam af te wachten welke vergaande maatregelen zes mensen met elkaar afspreken? Dat de deuren van het Catshuis al weken gesloten blijven, stuit bij de fracties van VVD, CDA en PVV op alle begrip. De economische crisis maakt het nu eenmaal noodzakelijk dat er een nieuw regeerakkoord wordt gemaakt. Als er een Catshuisakkoord komt, zal de Kamer er niet veel aan kunnen veranderen, simpelweg omdat ze het zelf niet wil.