Utrecht neemt afscheid van de sterrenhemel

Het Sterrenkundig Instituut te Utrecht, opgericht in 1642, is dit jaar opgeheven. De afscheidsavond eindigde in tranen.

Utrecht, museumkwartier, 16-03-1999 Sterrenwacht op bolwerk aan singel. FOTO: Willem Mes / Hollandse Hoogte
Utrecht, museumkwartier, 16-03-1999 Sterrenwacht op bolwerk aan singel. FOTO: Willem Mes / Hollandse Hoogte Willem Mes/Hollandse Hoogte

Redacteur Natuurwetenschappen

‘De meest voorkomende elementen in het heelal zijn waterstof en domheid – niet per se in die volgorde.” Met die wisecrack sloot de Zwitserse astronoom Christoph Keller vorige week vlak voor Pasen de bijeenkomst in het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht (UU) af.

Tot januari was Keller directeur van het Sterrenkundig Instituut van de UU. Het instituut werd al in 1642 opgericht, als tweede Sterrewacht ter wereld, na die van Leiden. Dit jaar hief het college van bestuur van de UU het op.

Als laatste werd vorige week het portret van Marcel Minnaert weggehaald uit het Minnaert-gebouw op de Utrechtse universiteitscampus. Het portret van de man die de Utrechtse sterrenkunde groot maakte, hangt voortaan in museum Sonnenborgh.

De Utrechtse sterrenkundigen zelf waren al vertrokken. Ze werken nu aan de universiteiten van Leiden, Nijmegen en Amsterdam. „Maar we gaan met opgeheven hoofd”, zeiden ze gisteren. En dus hadden ze voor oud-studenten en oud-collega’s een avond met lezingen samengesteld.

Kees de Jager (91), voormalig directeur van het instituut en befaamd Utrechts astronoom, zette de toon met een lichtvoetig verhaal. De Jager vertelde hoe de Vroedschap Utrecht, eigenaar van de in 1632 opgerichte Utrechtse gemeente-universiteit, destijds op zoek was gegaan naar een geschikte plek voor het uitvoeren van ‘astronomische speculatiën’. De bestuurders kozen er de oude Smeetoren, onderdeel van de Utrechtse verdedigingswerken uit 1145, voor uit.

Dat Nederland zo vroeg met Sterrewachten begon, had alles te maken met de nautische traditie, zei De Jager. Nederland had destijds een vloot die groter was dan die van alle andere Europese staten samen. De sterren moesten de schippers de weg wijzen.

Pas later kregen de sterrenkundigen oog voor andere aspecten dan alleen de stand van de sterren aan de hemel. De befaamde fysicus en instrumentmaker Petrus van Musschenbroek (1692-1761), uit Duisburg naar Utrecht ‘gehaald’, speelde daarin een grote rol. Maar ook latere directeuren als Martin Hoek, Anthonie Oudemans en Albert Nijland.

Het onderzoek nam echt serieuze vormen aan toen het instituut halverwege de 19de eeuw op advies van Christoph Buys-Ballot naar de Sonnenborgh verhuisde, onderdeel van Utrechtse verdedigingswerken uit de 16de eeuw. De Sonnenborgh kreeg een van de grootste kijkers ter wereld. Hij staat er nog steeds en wordt nog altijd ‘de grote kijker’ genoemd. „Al is hij nu natuurlijk één van de kleinste ter wereld”, zei De Jager.

Uiteraard sprak De Jager over zijn beroemde leermeester, de Vlaamse Marcel Minnaert, die in Gent gepromoveerd was als bioloog, zich in Leiden in de natuurkunde had bekwaamd en die in Utrecht de grootste zonne-expert ter wereld werd. Minnaert en diens studenten brachten de Utrechtse sterrenkunde naar de top. Dat zei ook Ed van den Heuvel, emeritushoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, opgeleid in Utrecht, en de tweede spreker.

Van den Heuvel somde op: Thijs de Graauw, directeur van de grootste telescoop ter wereld, de Atacama Large (sub)Millimetre Array (ALMA), komt uit Utrecht. Karel Schrijver, directeur van de Big Bear Solar Observatory in Arizona, komt uit Utrecht. René Rutten, wetenschappelijk directeur van de grootste telescoop van Europa, de Gran Telescopio Canarias op La Palma, komt uit Utrecht. En zo verder.

„Ik ken ook geen andere onderzoeksgroep in Utrecht die twee keer in de jaarlijkse toptien van doorbraken van het wetenschappelijk tijdschrift Science is beland”, zei Van den Heuvel. De sterrenkundigen lukte het wel. Dankzij de camera die astronoom John Heise en collega’s bouwden voor de BeppoSax-satelliet waarmee de oorsprong van gammaflitsen uit het heelal werd opgehelderd.

Natuurlijk, had Kees de Jager eerder gezegd, zetten de Utrechtse sterrenkundigen hun werk elders voort. Maar het Nederlands sterrenkundig onderzoek, dat zijn kracht ontleende aan nauwe samenwerking tussen vijf universiteiten met elk hun specialisme, is zwaar geraakt, vond hij. Want nu zijn dat er nog maar vier.

„Er komen vast weer betere tijden”, zei De Jager ook. Maar toch. Toen hij vertelde hoe hij de voorgaande dagen in gedachten gesprekken had gevoerd met Minnaert, zijn leermeester en later zijn vriend, toen gebeurde wat je nooit ziet tijdens wetenschappelijke lezingen: de sterrenkundigen in de zaal waren in tranen.