Oude industrie Noordzee zoekt nieuwe toekomst

Honderden platforms op de Noordzee lopen op hun laatste benen. Na ruim 35 jaar olie- en gaswinning, zijn de grote velden bijna leeg. De exploitatie van kleinere velden op grote diepte houdt de industrie voorlopig draaiend. Opslag van CO2 in oude gasvelden zou de levens van de platforms kunnen verlengen. De exploitatie van de Noordzee: deel twee

Het eerste dat je na de landing met de helikopter op het platform L 10-A te horen krijgt, is hoe je er weer af moet. „Zodra u een ononderbroken toon hoort, moet u onmiddellijk naar capsule 1 lopen. Daar volgen nadere instructies.”

Capsule 1 is een oranje gevaarte in de vorm van een grote walnoot waar 26 mensen in kunnen. Bij groot alarm wordt de capsule in zee neergelaten, en het dak dichtgetrokken. Wat er daarna gebeurt vertelt de instructiefilm niet.

Het platform is een gasfabriek op zee waar zo’n zestig mensen werken. Een wirwar van buizen en pijpen, gevuld met explosief materiaal. Roken is streng verboden (behalve in een speciale rookkamer) en zelfs fotograferen mag niet. De camera zou een vonkje kunnen afgeven.

Deze energiewinning op zee is zeer kwetsbaar: er is explosiegevaar, er kunnen lekken ontstaan, met grote gevolgen voor mens en milieu. Uit het Elgin-platform van Total op 240 kilometer oostelijk van Schotland, lekt al ruim twee weken gas ongecontroleerd de lucht in.

Onder het Gannet Alpha platform van Shell, ook in het Britse deel van de Noordzee, ontstond vorige zomer een lek in een oliepijpleiding waardoor 200 ton olie de zee instroomde. Datzelfde platform kwam in februari van dit jaar opnieuw in het nieuws door een gaslek, waarna de bemanning moest worden geëvacueerd.

L 10-A werd in 1975 neergezet door het Amerikaanse bedrijf Placid Oil Company boven het eerste gasveld dat in het Nederlandse deel van de zee was ontdekt. Het platform, een van de oudste op de Noordzee, dankt zijn naam aan de ligging in vak L 10, op 65 kilometer uit de kust bij Den Helder. In 2000 kwam het in handen van het Franse gasbedrijf Gaz de France (GDF), dat sinds de fusie met het eveneens Franse energieconcern Suez in 2008 GDF Suez heet.

Inmiddels is het oorspronkelijke gasveld bijna leeg en rijst de vraag of er eigenlijk nog wel toekomst is voor het productieplatform.

Voorlopig nog wel, zegt Ruud Zoon, directeur GDF Suez E&P Nederland. In de buurt van het oude gasveld zijn kleinere gasvelden aangeboord. Rondom het hoofdplatform staan acht onbemande satellietplatforms op een paar kilometer afstand . Het gas dat daar naar boven wordt gebracht, gaat via het hoofdplatform door de pijpleiding naar het vaste land. Zoon: „Het oude platform is een ‘hub’ geworden en blijft doorpruttelen, dankzij de kleinere veldjes die gebruikmaken van de bestaande infrastructuur. We hebben alles aan elkaar geknoopt.”

GDF Suez is de grootste speler op de Noordzee en heeft in totaal 35 platforms staan van verschillende grootte. De meeste producenten werken met dit nieuwe model: de oude platforms zijn vaak planetenstelsels geworden.

L 10-A heeft sinds 1975 verschillende gedaantewisselingen ondergaan. Het is uitgegroeid tot een complex van vier platforms die hoog boven de zee met loopbruggen verbonden zijn.

Op het eerste platform wordt het gas omhoog gebracht. Op het tweede wordt het gas ‘gedroogd’: de vloeistof wordt eruit gehaald. Op het derde platform gaat het in de pijleiding naar het vaste land. En als het nodig is wordt er via het vierde platform nog extra druk op de leiding gezet.

Henk Smith, Hoofd Mijnbouw Installatie, is „de kapitein” van het platformcomplex en de satellieten erom heen. Hij staat wijdbeens te wachten als de helikopter uit Den Helder landt op het bovenste dek. Zijn grijze krullen wapperen in de wind.

Met vaste tred gaat Smith voor over de steile buitentrappen langs de opeenvolgende dekken. Door de ijzeren rasters op de treden is in de diepte de deinende blauwe zee te zien. Om hem heen dreunt het geluid van de fabriek op zee.

Dit is zijn wereld. Twee weken lang is hij hoofdverantwoordelijke voor de productie en voor de veiligheid. Daarna is hij, net als de andere medewerkers op het platform, vrij. Twee weken op, twee weken af.

Op L10-A zijn nog vijf putten actief. Een beeldschermpje geeft aan dat er 103.249 kubieke meter gas per uur uit komt. Smith: „Ooit was dat een miljoen kubieke meter gas per uur, bijna tien keer zoveel, maar dat hebben we in jaren niet gehaald”.

Het gasveld onder hem is bijna leeg. „Met nieuwe techniek gaan we steeds dieper. We winnen nu gas uit kleinere velden op 4000 meter diepte.” Maar ook die kleine veldjes raken op. In 2011 was de productie al 8 procent minder dan in 2010.

Dankzij de hoge olie- en gasprijs blijft de exploitatie van de kleine veldjes voorlopig nog lucratief. Maar er tekenen zich ook nieuwe toepassingen af. Vanaf L10-A is in de verte het platform K12-B te zien. Daar wordt uit het geproduceerde gas meteen de CO2 gehaald en teruggebracht in een oude productieput.

CO2-opslag kan de platforms een nieuwe toekomst bieden. Op de Maasvlakte bij Rotterdam wordt met steun van de Europese Commissie en de Nederlandse overheid, gewerkt aan een demonstratieproject om bij de elektriciteitscentrale van E.ON CO2 af te vangen uit de rookgassen.

De bedoeling is om deze CO2 via een nog aan te leggen pijpleiding op te slaan in een leeg gasveld op ongeveer 23 kilometer uit de kust. Maar het plan is nog niet voorbij de tekentafel en de opdrachtgevers GDF Suez Energie Nederland en E.ON moeten nog groen licht geven voor de investeringen van in totaal enkele honderden miljoenen euro.

De handel in CO2 kan het leven van de oude gasplatforms en de lege gasvelden inderdaad verlengen, meent Ruud Zoon van GDF Suez. „Maar dan moet de prijs van CO2 wel aanzienlijk omhoog. Nu ligt die nog rond de 10 euro per ton en dat zou zeker 40 tot 50 euro moeten worden om rendabel te zijn”.

Intussen ‘pruttelt’ L10-A rustig voort. In de controlekamer houden de mannen de processen in de verschillende leidingen nauwlettend in de gaten. Op de loopbruggen tussen de platforms wordt onderhoud gepleegd. Schilders beschermen de bejaarde ijzeren constructie tegen het zoute zeewater. Er wordt hard gewerkt. Twaalf uur op, twaalf uur af. In de kantine staan dampende schotels met eten te wachten.

„Dit is een fabriek, de productie is onze uitdaging”, benadrukt Henk Smith – de baas op het platform – aan een stevige lunch. Maar dat wil niet zeggen dat hij ook maar enige concessie wil doen aan de veiligheid. „Wij hebben ook ons eigen veiligheidsgevoel, we gaan niet lopen mixen in de marges.”

Gaat er dan nooit wat mis? „Nou ja, soms sist er iets bij een leiding, maar dat leidt nooit tot ontploffingen.” Smith kan zich niet herinneren dat het platform ooit moest worden stilgezet door een calamiteit.

In 1988 ging het op het Britse deel van de Noordzee wel vreselijk mis toen het productieplatform Piper Alpha – een generatiegenoot van L 10-A – bij werkzaamheden in brand vloog en ontplofte. Er vielen 167 doden. Sindsdien gelden strenge veiligheidsmaatregelen op de olie- en gasplatforms. De industrie spreekt van ‘voor’ en ‘na’ Piper Alpha.

Toen er eind maart van dit jaar een noodsituatie ontstond op het Elgin-platform van Total ten oosten van Aberdeen, werden alle 238 man volgens de nieuwe regels onmiddellijk van boord gehaald. Er vielen geen slachtoffers. Maar het lek is nog altijd niet gedicht.

Terug in Den Helder, vertelt Ruud Zoon dat zijn bedrijf minstens 30 procent van de tijd aan veiligheid besteedt. Toch blijven er altijd risico’s. Zoon wil daarom ook precies weten wat er eind maart gebeurd is bij het Elgin-platform voor de Britse kust. „Het is het soort ongeluk waarvan je wakker kunt liggen.”

Bij het veiligheidsbeleid rond de platforms op het Nederlandse deel van de Noordzee hoort veel oefenen. Het Staatstoezicht op de Mijnen, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, ziet erop toe dat dat ook gebeurt. In juni houdt de brancheorganisatie NOGEPA (Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie), waarvan Zoon ook voorzitter is, een grote oefening. Er wordt een blow out nagespeeld, een oncontroleerbaar lekkende put. Een scenario dat volgens Zoon „in grote mate overeenkomt met wat er onlangs bij Total is gebeurd”. Maar dat is toeval. „Andere jaren spelen we na dat een olietanker een platform ramt, of dat er een helikopter op neerstort.”

Dit is het tweede van drie artikelen over de exploitatie van de Noordzee. Het eerste verscheen in het katern Economie in NRC Weekend van 7 en 8 april.