Op z’n paasbest maar nooit op z’n kerstbest

Als iemand netjes is gekleed, zeg je: hij is op zijn paasbest. Waarom zeggen we dat? Met Pasen komen veel families bij elkaar om eieren te zoeken, te ontbijten of te lunchen en zonder twijfel kleden sommige mensen zich daarvoor extra netjes aan. Maar voor het kerstdiner tutten de meeste mensen zich veel meer op. Dus waarom niet: op z’n kerstbest in plaats van op z’n paasbest?

Dat komt doordat Pasen van oudsher de tijd was om je in nieuwe kleren te steken. Die gewoonte gaat al terug tot de Middeleeuwen. De dichter Willem van Hildegaersberch maakte er al in de 15de eeuw melding van: „Die paesschen quam, tfolc wert moy” (‘Pasen kwam, het volk werd mooi’).

In de eeuwen erna komen we vooral het woord paaspronk tegen, in plaats van paasbest. Zo schreef de Leidse letterkundige Johannes le Francq van Berkhey in 1773: „Het is ook een vry algemeen gebruik, vooral ten platten Lande, dat men zyne nieuwe beste Kleederen tegen Paaschen laat maaken en zich op Paaschen opschikt; dat aanleiding gegeeven heeft tot het woord Paaschpronk.”

Aanvankelijk luidde de uitdrukking dan ook op zijn paaspronk in plaats van op z’n paasbest.

Hoe lang is de traditie om je met Pasen in nieuwe kleren te steken blijven bestaan? Zeker tot de eerste helft van de 20ste eeuw. In 1912 schreef het Woordenboek der Nederlandsche Taal bij het woord paaschbest: „Vroeger, en ook thans nog, stak men zich met Paschen in nieuwe kleeren.” En de bekende spreekwoordenverzamelaar F.A. Stoett schreef in 1924: „Vroeger stak men zich op Paschen in nieuwe kleeren, de ‘Paaschpronk’; een gewoonte, die nog niet verdwenen is.”

Ook in oude kranten vinden we sporen van deze traditie. Zo plaatste een kledingbedrijf op 19 maart 1937 – Pasen viel toen vroeg – deze rijmende advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden:

„Wie met Pasen op zijn paasbest

wil gaan

Trekt een costuum van

C. A. Hensen aan

Rijk gesorteerd en prima kwaliteit

Daar gekocht, nooit geen spijt

Komt eens kijken, hoe het staat

Het is no. 10 in de Steentilstraat.”

Sinds wanneer wij het kopen van kleding met Pasen hebben ingeruild voor een bezoek aan meubelboulevards op Tweede Paasdag, is mij niet bekend. Bij mijn weten dateert het woord meubelboulevard van 1980, maar wellicht is de traditie al ouder. In ieder geval gaf cabaretier Sjaak Bral in 2007 een mooie verklaring van dit verschijnsel in zijn boek Eigentijdse ergernissen:

„Met Pasen herdenken wij dat Jezus Christus voor ons gestorven is aan het kruis van Golgotha, dat hij ter vergeving van onze zonden zijn bloed heeft laten vloeien opdat wij zouden leven; en daarom eten we met Pasen allemaal een ei. Jezus stierf aan een houten kruis. Dat is de reden dat we op Tweede Paasdag in drommen naar een meubelboulevard gaan.”

Overigens bestaan er allerlei uitdrukkingen waarin Pasen een rol speelt. Met enige regelmaat hoor je nog als Pasen en Pinksteren op één dag vallen en als Pasen op een vrijdag valt, beide voor ‘nooit, met sint-juttemis’. Minder bekend zijn het is Pasen en Pinksteren bij hem (‘hij is gelukkig, zijn zaken gaan voordelig’), vijgen na Pasen (gezegd van iets wat te laat komt), als hij lacht, is het Pasen achter zijn oren (gezegd van iemand die zelden lacht) en hij heeft het zo druk als de kippen vóór Pasen (‘hij heeft het buitengewoon druk’).

Het meest opmerkelijk vind ik deze: hij laat zijn Pasen en Pinksteren zien voor ‘hij toont zijn billen en schaamdelen’. Voor wie denkt dat exhibitionisme een recente uitvinding is: die uitdrukking dateert al van het begin van de 18de eeuw.

Reacties zijn welkom via het e-mailadres post@ewoudsanders.nl