We willen te veel op de Noordzee Vissen op een postzegel

Vanaf de kust lijkt het gewoon een blauwe zee met een lege einder, maar schijn bedriegt. De Noordzee is een druk industrieterrein, waar vissersboten, boorplatforms en windparken vechten om de schaarse ruimte.

Het stormde behoorlijk langs de Noordzeekust op 19 januari van dit jaar, er stond een gure zuidwester. De Filippijnse bulkcarrier Aztec Maiden had zijn lading kolen gelost in Amsterdam en voer de Noordzee op vanuit de haven van IJmuiden uit toen er iets geks gebeurde. De motor begon te haperen. Mogelijk was het lege schip te hoog komen te liggen waardoor de schroef niet werkte. Ook het anker kreeg geen greep. Stuurloos en met ‘krabbend’ anker dreef het schip naar de kust terug, naar Wijk aan Zee, even boven het Noordzeekanaal. De mannen van de elektriciteitsproducenten Nuon en Eneco hielden hun adem in. Ze zagen het Filippijnse gevaarte precies boven de elektriciteitskabels drijven die de Amalia- (Eneco) en OWEZ (Nuon/Shell)-windparken voor de kust met het vaste land verbinden. Ze wisten dat het anker over de bodem raspte. De kabels lagen een paar meter ingegraven. Maar was dat genoeg? Stukgetrokken kabels zouden een miljoenenschade betekenen. De windparken zouden in een klap stil komen te liggen.

Haastig onderzoek wees uit dat de kabels de passage van de Aztec Maiden ongeschonden hadden doorstaan. De opluchting was groot, vertelt een vertegenwoordiger van Noordzeewind die het windpark bij Egmond namens Shell en Nuon beheert.

De Noordzee is een van de meest aantrekkelijke zeegebieden ter wereld. Op de meeste plaatsen is de zee niet dieper dan 30 tot 50 meter. Op de ondiepe, visrijke Doggersbank middenin de Noordzee , is dat zelfs maar een meter of 15 . Je kunt er overal bouwen om het gas en de olie te winnen die in de aardlagen onder de zee verscholen ligt. Of om de straffe zeewind om te zetten in windenergie.

Maar de zee tussen Groot-Brittannië, het zuiden van Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland, België en het noorden van Frankrijk, is ook het terrein van de visserij en de scheepvaart. Het is ook de drukst bevaren zee ter wereld. Door steeds grotere containerreuzen bijvoorbeeld die vanuit Azië, vaak in dagelijkse lijndiensten, op de havens van Rotterdam, Antwerpen, Hamburg en Felixstowe varen.

Het is dringen op de Noordzee. Sinds de jaren zeventig zijn er honderden productieplatforms gebouwd om olie- en gas te winnen. Inmiddels zijn daar ook minstens tien windparken bijgekomen die met elkaar 1.941 Megawatt stroom leveren, genoeg voor 1,8 miljoen huishoudens. Vooral Denemarken, Duitsland en Groot-Brittannië zijn erg actief. Als alle plannen die er nu liggen worden uitgevoerd levert de Noordzee over een jaar of tien 40 keer zoveel windenergie.

Wat vanaf de kust een blauwe zee lijkt met een lege einder, is in feite een druk industrieterrein. Met op en onder de grond een wirwar van kabels en leidingen. Van de eerste telefoonkabels uit het midden van de negentiende eeuw die Engeland verbonden met het vaste land, tot en met de jongste internetverbindingen waarover in fracties van seconden beurstransacties worden verricht.

En daar komen de kabels en leidingen van de windparken en de productieplatforms soms letterlijk bovenop. Of onderdoor.

Vliegveld De Kooy heeft tegen zessen ’s morgens iets van een busstation. Op deze heliport van Den Helder druppelen de passagiers binnen. Stoere mannen met weekeindtassen, een enkele stoere vrouw. Op weg naar hun werk op de olie- en gasproductieplatforms op de Noordzee tussen Nederland en Groot-Brittannië. Routinematig checken ze in, kijken naar het verplichte veiligheidsfilmpje en hijsen zich in de dompelpakken die de overlevingskansen in het koude water verhogen, mocht de helikopter te water raken.

Zodra het licht wordt stijgen de rode ‘offshore busjes’ op en zetten koers naar de Noordzee. Gedurende de dag zullen ze een aantal keer op en neer vliegen tussen de verschillende productieplatforms en de thuisbasis op het vliegveld De Kooy, ieder met een stuk of tien passagiers aan boord. De helikopter pruttelt dapper door de wind boven wat een onmetelijke, lege zee lijkt. Den Helder en Texel zijn in een mum van tijd uit zicht. Uit het raampje zijn beneden op het water eerst nog wat kotters en kustvaarders te zien. Dan wordt het stil. Tot een minuut of twintig later de productieplatforms van GDF SUEZ opduiken. Een kleine stad op zee: een gigantisch hoofdplatform met daar omheen een zestal onbemande platforms. Fabrieken op stelten.

De platforms die onder de zeebodem gas en olie winnen, zijn strikt verboden voor onbevoegden. Een onverhoedse vonk kan het gevaarte doen ontploffen. Scheepvaart en visserij mogen niet in de buurt komen. Ze mogen de platforms niet dichter naderen dan 500 meter. Alleen onderhoudsboten mogen in overleg de onzichtbare zonegrens binnenvaren. De verschillende gebieden op zee zijn strikt van elkaar gescheiden. Dunne lijnen op de kaart geven aan wie het waar voor het zeggen heeft: ieder land rond de Noordzee heeft buiten zijn territoriale wateren, zijn eigen economische zone. Daar bepalen de hoofdsteden wie er waar naar grondstoffen mag boren of windparken mag aanleggen, waar de infrastructuur van kabels en leidingen komt, waar de schepen mogen varen, waar de vissers mogen vissen, en waar de natuurgebieden zijn. En ieder land heeft zijn eigen veiligheidsbeleid.

De Europese Commissie maakt zich daar grote zorgen over. De ramp met het BP platform Deepwater Horizon in de Golf van Mexico in 2010 heeft de Brusselse autoriteiten wakker geschud. Bijna drie maanden lang stroomden toen miljoenen liters ruwe olie de zee in, nadat er op het platform een explosie was geweest waarbij elf doden waren gevallen. Een van de grootste milieurampen uit de geschiedenis.

Ongelukken zijn niet uit te sluiten en houden zich niet aan lijnen op de kaart, stelt de Europese Commissie. „Kijk nou naar het ongeluk op het Elgin-platform van Total eind maart. Het effect van dat ongeluk houdt heus niet op bij de grens van de Britse wateren”, zegt Marlene Holzner, medewerkster van de Europese Commissaris voor Energiezaken, Günther Oettinger.

Zij wijst er op dat ook de aansprakelijkheidswetgeving voor de milieugevolgen van zulke rampen ontoereikend is. Europa kent sinds een paar jaar wetgeving die bepaalt dat de vervuiler betaalt. Maar, legt Holzner uit, die geldt op zee alleen binnen de territoriale wateren, de 12 mijlszone, en niet voor de hele economische zone. „De schade die het gaslek op het Elgin-platform veroorzaakt, zal dan ook niet voor rekening komen van Total, want het platform ligt 250 kilometer uit de kust.”

Daarom heeft de Europese Commissie nieuwe wetgeving voorbereid om voor alle wateren eenzelfde systematiek in te voeren als het om veiligheid gaat. In het voorstel, dat nu bij het Europese parlement ligt, worden alle bedrijven die op zee aan de slag willen verplicht eerst een risico-analyse te maken en een noodplan op te stellen dat aan de nationale overheden moet worden voorgelegd. Ook zouden alle lidstaten de instanties die vergunningen verlenen strikt moeten scheiden van de toezichthouders. Een ander belangrijk punt is dat olie- en gasproducenten aansprakelijk worden voor de schade die ze aanrichten, of die nu binnen of buiten de territoriale wateren valt.

Maar de regeringen voelen er weinig voor om bevoegdheden uit handen te geven. En de industrie zit al helemaal niet te wachten op Europese regelgeving. „Het Nederlandse model is goed zoals het is”, zegt Ruud Zoon, voorzitter van NOGEPA, de Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie. Nederland zou het al in grote lijnen doen zoals Europa wil. Gevraagd om mee te denken, bleef het opmerkelijk stil onder de Europese captains van de olie- en gasindustrie. „Meneer Oettinger, er is helemaal geen probleem. Er was alleen iets met BP”, kreeg de Europese commissaris te horen toen hij de grote spelers tot twee keer toe bij elkaar riep. Toch zijn er altijd incidenten en incidentjes geweest zoals nu met het Elgin platform van Total, benadrukt zijn woordvoerder.

Ivo Belet (EVP), rapporteur bij het Europese Parlement over deze zaak, begrijpt best dat de industrie een stevige lobby is begonnen tegen het wetsvoorstel van de Europese Commissie. Maar hij twijfelt niet dat er regelgeving moet komen. „Lees het eindrapport over het Deep Water ongeluk. Dat is werkelijk hallucinant. Dan zie je onmiddellijk dat ook wij de wetgeving moeten aanpassen.” Hij wijst erop dat de risico’s groter worden omdat er steeds verder uit de kust en steeds dieper, en dus onder grotere druk, naar olie en gas wordt geboord. De technische én financiële risico’s worden almaar groter.

De ruimtelijke ordening wordt eveneens nu nog per land geregeld. Vissers voelen zich steeds verder in het nauw gedreven. Eerst hoefden ze alleen maar de scheepvaart naast zich te dulden. Nu moeten ze uit de buurt blijven van de productieplatforms en van de windparken. Natuur- en zandwinningsgebieden zijn verboden gebied. Iedere visser heeft verplicht elektronische kaarten aan boord waarop de verschillende gebieden staan afgebakend. „Het wordt zo langzamerhand vissen op een postzegel”, vindt directeur Pim Visser van VisNed, de brancheorganisatie van de Nederlandse kottervissers. Hij heeft net in Brussel vergaderd over de ruimtelijke ordening op de Noordzee. Want ook daar wil Europa een steviger vinger in de pap. De vissers vechten voor hun visgronden. „We verliezen steeds meer visgebied. Er wordt enorme voorrang gegeven aan windenergie. De producenten van windenergie zeggen dat er genoeg zee over is. Dat is ook zo maar vissen migreren en zo wordt je de kans ontnomen om er achteraan te gaan.”

Hij rekent voor dat er een oppervlakte van 25.000 vierkante kilometer aan windenergie in de Noordzee (van 575.000 vierkante kilometer) zal komen te liggen. De visrijke en ondiepe Doggersbank komt straks vol te staan met windmolens, althans op het Britse deel. „Een gebied ter grootte van de provincie Utrecht”.

Daar gelden eigen regels. De Britse wet verplicht projectontwikkelaars om eerst met de vissers en andere partijen te praten voor ze definitief aan de slag kunnen. Visser doet daarom liever zaken met de Britten. Die zijn minder streng. In het Britse deel van de Noordzee mogen vissers wel tussen de windmolens doorvaren.

In Nederland zitten de regels anders in elkaar. Daar maakt Rijkswaterstaat de afweging en ‘vergunt’ een gebied aan een projectontwikkelaar die aan de slag kan zodra hij de financiering rond heeft. Daar kan alleen de rechter nog een stokje voor steken.

Zo voert het Productschap Vis namens de visserijsector al jaren een proces tegen de aanleg van het geplande Beaufort windpark voor de kust van Zuid-Holland. En tegen alle windparken in de Nederlandse economische zone die nog op de tekentafel liggen. De zaak werd in 2010 door de rechtbank van Rotterdam afgewezen en ligt inmiddels in hoger beroep bij de Raad van State. Binnen enkele weken wordt een uitspraak verwacht. Maar veel hoop dat de parken nog kunnen worden tegengehouden, heeft Visser niet. Industrie, milieubeweging, iedereen wil het, behalve de visserij. „ De kansen lijken inderdaad klein als je ziet hoe de kaarten geschud zijn.”

Van een gezamenlijke regie op de Noordzee is weinig sprake. Hoe de ruimte wordt ingevuld, wordt bepaald door de betrokken landen en door de vrije markt: op het Britse deel van de Doggersbank staat straks een gigantisch windpark, terwijl het Nederlandse gebied er pal naast als natuurgebied is aangemerkt. Het is volgens een bron bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu illustratief voor hoe vol het is. „Landen stemmen niet af. Het meeste op zee is onvoldoende geregeld”. Brussel probeert daar orde in te brengen met voorstellen voor gezamenlijke veiligheidsregels en een gezamenlijke ruimtelijke ordening. Maar zolang er goed te verdienen valt op zee, hebben de lidstaten en de industrie daar weinig belangstelling voor.