Tweemaal maakte ik mijn 'comeback'

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over de laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Wat? Komt dit verhaal op paaszaterdag in de krant? Wederopstanding? Herboren? Ha, nee, zo heb ik mijn herstel niet ervaren. Hooguit kun je zeggen dat ik mijn comeback heb gemaakt, tot tweemaal toe.

„Zowel in 1990 als in 2000 heb ik een pikzwarte tijd gehad. Erger dan een depressie was het, zeg maar gerust: het was een verschrikkelijke hersenziekte. Ik wilde niet meer leven, ik dacht: het wordt nooit meer wat, laat deze ellende voorbij zijn.

„In de loop van de jaren 80 ben ik bekneld geraakt tussen twee gebeurtenissen. De ene was de verwerking van de dood van mijn tweelingbroertje. Middenin de oorlog is hij aan difterie gestorven, een half jaar was hij. Ik was een jaar of acht toen ik erachter kwam dat ik een tweelingbroertje heb gehad. Ergens in huis kwam ik een foto tegen van een baby in een kistje. Ik begreep meteen: dit was mijn broertje. Sinds die tijd heeft hij een rol in mijn hoofd gespeeld. Het heeft lang geduurd voordat ik begreep hoe sterk zijn invloed op mij is geweest.

„Thuis is nooit met een woord over dit broertje gesproken. Ik durfde er ook niet naar te vragen, ik wilde mijn moeder geen verdriet doen. Pas na mijn ziekte in 1990 heeft een oudere zus het hele verhaal over mijn broertje verteld.

„Die andere gebeurtenis was mijn echtscheiding, halverwege de jaren tachtig. Het is geen verhaal voor de krant. We zijn weer on speaking terms geraakt, ik ben sterk gehecht aan rust en vrede in de familie – en dat wou ik graag zo houden.

„Na de scheiding heb ik mezelf een jaar of vijf voortgesleept, verlamd door dubbele, onverwerkte rouw. En maar werken – en ja, dan breekt het touw, als het permanent te strak gespannen staat. Bovendien, maar dat bleek later pas, had ik een heftige bio-chemische stoornis opgelopen – een stofje dat ontbrak in m’n hersenen.

„Zowel in 1990 als in 2000 ben ik een half jaar opgenomen geweest in de psychiatrische kliniek van het academisch ziekenhuis in Utrecht. Daaraan vooraf gingen twee perioden van een jaar, waarin ik thuis in een zwart gat leefde: gordijnen dicht, nauwelijks licht, geen geluid, mezelf niet wassen, niks kon ik verdragen. Dag of nacht? Geen idee had ik, alle structuur was weg uit mijn leven.

„Het enige wat ik in die tijd kon, was lezen. Drie keer achter elkaar heb ik toen het Oude Testament verslonden: bloed en wraak, gedonder met vrouwen, Kaïn die Abel doodde – in die chaos verkeerde ik zelf ook.

„M’n kop bleef hangen in gedachten over moord en zelfmoord. Kon ik ’t maken zelf een eind aan m’n leven te maken? Ja, dat kon, vond ik. Als ik in brieven maar goed toelichtte waarom ik dat had gedaan, zouden m’n kinderen ’t wel accepteren...

„Dankzij de opnames in de kliniek ben ik er weer bovenop gekomen. De eerste keer is mijn onverwerkte verleden aangepakt. Mijn dode tweelingbroertje had in mijn achterhoofd altijd geleefd. Ik fantaseerde: als hij nou slimmer en knapper was dan ik, als hij m’n meisjes afpikte? Griezelig.

„Ik ben altijd een druk en aanwezig baasje geweest: dominant, heel rap. Had ik ‘voor twee’ proberen te leven? Was mijn leven de compensatie voor zijn dood? Dat heb ik toen met de psychiater besproken. In die tijd heb ik een tekening gemaakt van de begrafenis van mijn broertje. Dat heeft geholpen. Op die manier heb ik afscheid van hem genomen. Het is een schattig kinderlijk plaatje, dat ik nooit aan iemand heb laten zien.

„Mijn tweede periode in de kliniek, tien jaar later, was nog heftiger. Therapie, pillen – eerst hielp het allemaal niks. Totdat, op een dag, professor René Kahn, de grote biopsychiater, bij me kwam. Hij stelde maar twee vragen. ‘Wie is uw lievelingsschrijver en wat is uw lievelingsboek?’ Ik antwoordde: A Prayer for Owen Meany van John Irving. Een lijdensverhaal, natuurlijk. Achteraf begreep ik dat hij wilde nagaan of er nog iets anders met me aan de hand was dan alleen die diepe depressie. Kahn fabriceerde een nieuw, klein pilletje. Eerst werd ik daar helemaal hyper van, werd permanent bewaakt door verpleging. Maar na een paar weken ging het snel beter.

„Nu slik ik alleen nog een lage dosis lithium. Al jaren voel ik me daar goed bij. Natuurlijk, ik ben veranderd. Ik weet nu wanneer ik een beetje moet dimmen met alles wat ik doe en wil. Het probleem van het ontbrekende stofje in mijn hoofd lijkt opgelost. Maar blijft dat zo? Blijf ik overeind wanneer er iets vreselijks gebeurt met een van mijn kinderen of kleinkinderen? Nooit kun je dat zeker weten.”

Tekst & foto’s Gijsbert van Es

Reacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord