Keerzijde der vrijheid

Nog geen derde van de kinderen zit op een openbare school. Zeventig procent van de Nederlandse jeugd zit op een levensbeschouwelijke lagere school en driekwart volgt onderwijs aan een bijzondere middelbare school. Dit is al jaren zo. Toch is het is raar.

Want in de samenleving liggen de verhoudingen omgekeerd. Ruim zeventig procent van de Nederlanders gaat zelden of nooit naar kerk, moskee of synagoge. En 42 procent van de burgers ziet zichzelf als onkerkelijk. Dertig jaar terug, toen de ontzuiling van de samenleving in volle vaart was, beschouwde iets meer dan 20 procent van de Nederlanders zich als goddeloos. En ruim een eeuw geleden, toen de ‘schoolstrijd’ Nederland in tweeën spleet, was het percentage volgens het Centraal Bureau voor Statistiek bijna nihil.

Deze paradoxale cijfers zeggen iets over de onderwijsvrijheid, die in 1917 is verankerd. Artikel 23 van de grondwet, dat bepaalt dat het „geven van onderwijs vrij is” en ook uit de openbare kas wordt betaald, is honderd jaar later geen dode tekst. Er wordt alleen op een andere manier gebruik van gemaakt. De „vrijheid van richting”, zoals het heet in artikel 23, gaat nu minder om religie of levensbeschouwing en meer om pedagogische methodiek en sfeer.

Vandaar dat de Tweede Kamer vorig jaar het verzoek deed aan de Onderwijsraad, ook een erfenis van de pacificatie van 1917, dit artikel te actualiseren. In een deze week uitgekomen rapport pleit de raad ervoor de grondwet ruimer te interpreteren.

Het adviesorgaan wil van af het begrip ‘richting’. Elke school die groot genoeg is, heeft „maatschappelijk draagvlak” en kan dus uit de algemene middelen betaald worden. Dat kan alleen als er scherpere kwaliteitseisen worden gesteld. Alleen „bekwaamheid en zedelijkheid van hen die onderwijs geven”, zoals in de grondwet staat, is niet genoeg.

Deze analyse en adviezen zijn verstandig. Ook in Nederland wordt de rol van de school als ‘onderwijsaanbieder’ minder belangrijk en neemt die van ouders en leerlingen toe. Dit „proces van materialisering”, zoals de raad het noemt, leidt tot marktwerking. Artikel 23 past daar goed bij.

Het heeft ook andere voordelen. Het is een instrument dat de ouders vrijwaart van staatsbemoeienis met de opvoeding, het doet recht aan maatschappelijke pluriformiteit en het kan voorkomen dat bijzonder onderwijs alleen toegankelijk is voor de rijkeren. Die voordelen zijn niet alleen aantrekkelijk voor religieuze en levensbeschouwelijke (minderheids)groepen maar vloeken ook niet met een liberaal mens- en wereldbeeld.

Onderwijsvrijheid heeft echter ook nadelen De Onderwijsraad ontkent het, maar een opgerekt artikel 23 heeft gevolgen voor het openbaar onderwijs, dat door de ‘verbijzondering’ van steeds meer scholen – van Iederwijs of Montessori tot Gymnasia – toch al aan belang heeft ingeboet. Onderwijs dat zich baseert op een brede maatschappelijke consensus, een ander woord voor neutraliteit, kan in het gedrang komen. Bovendien kan openbaar onderwijs, dat niet wordt gedragen door geëngageerde ouders, een ‘afvalput’ worden voor kinderen die geen keuze (meer) hebben.

Een tweedeling dreigt dan, waarbij het openbaar onderwijs niet langer de kernwaarden van de maatschappij uitdraagt maar het laatste plechtanker is van sociale outcasts. Het ‘verheffingsideaal’, dat zeker voor de openbare school de basis is, staat dan op de tocht.

En dat is niet ongevaarlijk, omdat de correctiemechanismen van staatswege te wensen overlaten. Door ‘verbijzondering’ en schaalvergroting wordt de rol van de overheid al langer kleiner. Maar na een verruiming van artikel 23 kan het ‘bevoegd gezag’ alleen nog via inspectie en financiering invloed uitoefenen. Het ook liberale idee dat onderwijs een staatszaak is, raakt op de achtergrond. Maar wie is dan vervolgens aanspreekbaar als het fout gaat? De minister blijft dan wel verantwoordelijk voor de inspectie, in concreto en politiek heeft die verantwoordelijkheid straks minder om het lijf.

Toestanden waarbij iedereen en dus niemand aanspreekbaar is, zoals bij spoorwegen, liggen dan ook op de loer.

Onderwijsvrijheid is een verworvenheid. Laat die niet ten prooi vallen aan Prinzipienreiterei aan religieuze of seculiere zijde. Een ruimer artikel 23 is dus ter zake. Maar Nederland mag die andere trots, het openbaar onderwijs, daaraan niet sluipend opofferen.